Township probeert verloren generatie te redden

'Het was oorlog hier', zegt politiekapitein B.G.Makhaya, 'niet zomaar wat geweld. In '92, '93 kwamen we hier als politie niet....

Een stoffig pleintje in het hart van Thokoza. Vroeger zou de kapitein zich er nog niet in een pantserwagen hebben vertoond, nu staat hij er ontspannen bij in zijn witte T-shirt. Opgewekt schudt hij voorbijgaande kennissen de hand.

'Er bestaat geen verloren generatie in Thokoza', had de politiefunctionaris eerder al even opgewekt verklaard.

Jammer alleen dat veel van die jongeren daar anders over denken.

Thokoza, een zwarte wijk even ten zuiden van Johannesburg, was in de nadagen van de apartheid een slagveld. Het begon in de winter van 1990. 'Op een zondag', weet Makhaya nog. De Zulu-partij Inkatha had een bijeenkomst gehouden in het stadion, en bij terugkeer zagen de Zulu-mannen de weg naar hun woonkazerne geblokkeerd door jongeren uit de slum Phola-park, een radicaal ANC-bolwerk. Het werd vechten, er vielen doden. 'En daarna ging het maar door, het sloeg over naar andere zwarte wijken, naar de treinen, naar de taxi's'.

Het werd de bloedigste periode in de Zuid-Afrikaanse bevrijdingsstrijd: in een meedogenloze politieke strijd vochten ANC en Inkatha om de macht in de townships. Beide kampen plukten zomaar jongens van de straat en bewapenden ze: de wijken werden het jachtterrein voor 'Self Defence Units' (ANC) en 'Self Protection Units' (Inkatha).

Volgens vele bronnen kreeg Inkatha wapens van het apartheidsregime, dat in het aanblazen van een golf van townshipgeweld een kans zag om het ANC eronder te houden. Duizenden mensen werden gruwelijk afgeslacht, in brand gestoken, voor hun leven verminkt. Pas vlak voor de verkiezingen van 1994 kwam er een bestand.

Daarna begon wat kapitein Makhaya noemt 'het temmen van de jeugd'; duizenden tieners en twintigers die soms jarenlang dood en verderf hadden gezaaid moesten weer in het gareel worden gebracht. Maar wat doe je in een wijk met een half miljoen inwoners, waar armoede en verpletterende werkloosheid heersen, met ruim tweeduizend jongeren die god noch gebod erkennen?

De nieuwe regering riep Thokoza uit tot rampgebied: allerlei projecten zouden de 'gemilitariseerde jeugd' weer vaste grond onder de voeten moeten geven. Het grootste werkproject werd de omvorming van ruim negenhonderd vechtersbazen tot 'wijkagenten'.

'Het was een chaos', bekent kapitein Makhaya nu. Zijn bureau, met 140 agenten, de enige politiepost in de enorme wijk, werd overspoeld door losgeslagen jongeren die opeens voor agent moesten doorgaan. 'Die jongens werden van de straat gehaald om de wijk te stabiliseren, maar sommigen waren oncontroleerbaar. Ze mishandelden burgers, sommigen pleegden zelfmoord. Anderen zaten in bendes waarop ANC en Inkatha alle greep hadden verloren.'

Teboho Luthuli ging niet bij de politie. 'Ik haat de politie', verklaart hij in zijn huisje tegenover de ingang van woonkazerne 1. Hij was destijds als commandant van een SPU een geoefende vechtmachine in dienst van Inkatha. 'Nu ben ik dertig, ik heb een vrouw en vier kinderen, maar geen werk.'

Van Luthuli's eenheid ging verder bijna iedereen - zo'n tweehonderd man - wel naar de politie. Daar zijn er nu nog vijftig van over. 'Ik ken SPU'ers die zijn gaan roven, ontvoeren en moorden', meldt hij laconiek. Zijn vingers maken een scherp klikgeluid: 'We zijn gewend wapens te gebruiken.'

Hij trekt zijn shirt omhoog om de littekens van kogelwonden te laten zien. Zijn vrouw Veronique raakte kreupel in de strijd tegen het ANC, zijn ouders werden gedood bij een aanval op een taxi, vertelt hij bitter. En zelf moet hij nu overleven met het verkopen van wat groente of een klusje als tuinman in een rijke blanke wijk.

Luthuli vindt dat het nieuwe Zuid-Afrika hem in de steek heeft gelaten. 'De raadsleden van ANC en Inkatha hebben wel een mooi huis en een auto'. Hij wijst naar de poort van de woonkazerne, waar tientallen mannen rondlummelen. 'Bijna iedereen is werkloos of rommelt maar wat aan'.

We gaan even de woonkazerne binnen. Bij een van de deuren rond de modderige binnenplaats ontvangt de 25-jarige Mbongiseni Ntshangase me. 'Kijk hoe we moeten leven'. Achter elke verveloze deur vier kamertjes, ieder met vier bedden. Zestien man samengepakt in een oud kot, net als vroeger. 'Er is voor ons niets veranderd. Het is alleen maar slechter geworden, want we hebben geen stroom meer'. Afgesneden wegens wanbetaling, anderhalf jaar geleden.

Een paar straten verderop, aan de andere kant van de Buthelezi-weg die vroeger de absolute scheidslijn was tussen de partijen, leeft precies dezelfde frustratie. 'De jeugdliga doet niets voor zijn mensen in de township. Het wordt hier nooit normaal, als we niet meer kansen krijgen', klaagt Lucky Seepe in zijn troosteloze kantoortje.

Vroeger was hij de tweede commandant van de ANC-verdedigingseenheid in de Walter Sisulu-sectie van Thokoza. Nu is hij vrijwilliger bij een project dat jongeren computervaardigheden moet bijbrengen. 'Ik krijg nauwelijks een salaris', zegt de 28-jarige fel. 'Wij deden hier het vuile werk voor het ANC. Het heeft me zes jaar van mijn leven gekost.'

Ook Seepe heeft veel van zijn jongens zien afglijden. Misdaad, zelfmoord, werkloosheid, drank, drugs. 'Vroeger was het survival of the fittest, nu overleef je alleen als je je hersens gebruikt. Een hoop jongens lukt dat niet, die omschakeling.'

De volgende dag ontmoet ik Petros Sithole. De secretaris van de Inkatha-partij in Thokoza praat met brede glimlach, zijn montuur is goudgerand, op de heup draagt hij een mobiele telefoon, het statussymbool van de ambitieuze Zuid-Afrikaan. Ja, hij kent de klachten. 'Maar echte problemen zijn er niet', meent de politicus. Goed, hij wil wel erkennen dat de regering weinig heeft gedaan. Maar bang voor een nieuwe opstand, nee. 'Ik heb geen aanwijzing dat het weer fout zal gaan.'

Anderen in Thokoza zijn daar minder zeker van. De verkiezingen die voor de deur staan, jagen de spanning weer op, zeggen ze. Naast ANC en Inkatha heeft zich een derde speler in de zwarte wijken gemeld, de nieuwe partij UDM van Bantu Holomisa, een behendig populist en voormalig thuisland-generaal die carrière maakte in het ANC. In andere wijken zijn bij botsingen tussen ANC en UDM-aanhang al doden gevallen.

'Het geweld zal terugkomen', vreest ex-commandant Luthuli. Wapens zijn er nog steeds volop in de township, bevestigt hij. En de vrede in Thokoza is broos. 'We vertrouwen elkaar niet. ANC'ers en Inkatha-aanhangers groeten elkaar tegenwoordig, maar meer niet. Je weet niet wat iemand de volgende dag zal doen.'

Ook Thabo Kwaza en Wiseman Ndebele zijn er niet gerust op. Thokoza was niet voor niets vóór de verkiezingen van 1994 een van de meest gewelddadige wijken van het land. Vooral de opmars van de UDM kan de getraumatiseerde township doen ontploffen, sombert Kwaze. 'Ze hebben hier inmiddels al een buurt in handen en een paar ANC-mensen vermoord.'

De twee hebben zich voorgenomen alles op alles te zetten om een nieuw bloedbad te voorkomen. Kwaza, oud-SDU-commandant, zit met zijn vroegere vijand Ndebele, die aanvoerder was van een SPU, in Simunye ('Eendracht'), een vredesgroep die de verscheurde wijk weer bij elkaar probeert te brengen.

Beide jonge mannen verloren familieleden in de wijkgevechten. Over hun pijnlijke zoektocht naar een manier om het verleden bij te leggen maakten ze een videofilm, die overal in Thokoza en omgeving is vertoond.

'Om iedereeen te waarschuwen dat het geweld zo weer de kop kan opsteken'.

Meer over