Tot aan het dreigen van de dag

Indonesië Jakarta..

Michel Maas

Een rijtje spichtige Indonesiërs met rasta-knoedels en oversized rood-geel-groene mutsen stommelt na middernacht de trap op van BB’s bluescafé. De rasta’s haasten zich naar de eerste verdieping, waar een geluidwerende deur openzwaait. Op een dikke rookwolk waait ‘Bob Marley’ naar buiten. I’m jammin’, jammin’.., zingt de band Rastafari. Het groepje stort zich in het volle zaaltje of het een zwembad is. Iedereen gooit de handen in de lucht en deint mee met Marley’s jammin’ jammin’.

De kluisdeur sluit zich achter hen en houdt Marley’s muziek binnen. Over de andere ruimtes van BB’s valt stilte. Beneden in het sportcafé staan de stoelen op de tafels. Zelfs de televisies zijn uit. In een ander zaaltje rúik je alleen nog maar de kettingrokende en –drinkende zangeres van Big City Blues.

De kassier sluit zijn kassa en de uitsmijter steekt een krètèksigaret op. Het sluiten van de kassa is voor de rasta’s het sein waarop zij buiten uren hebben zitten wachten: het sein dat ze gratis naar binnen mogen voor het laatste staartje van het concert. Ook de Rastafari-band weet dat er op het laatst nog nieuw publiek binnenkomt, en zal doorspelen tot de mensen van BB’s de stekkers uit de stopcontacten trekken. De kassier bromt dat ze nog twintig minuten hebben. Veel is dat niet, maar voor de kleine groep geharde rasta’s is elke minuut er één.

In Jakarta houden ze ervan om in groepjes of clubjes de straat op te gaan. Je bent rasta of death metal. Je bent met familie of vrienden. Of je bent met de scooter. Vóór BB’s staat een Vespa-clubje geparkeerd. Bij de 24-uurs Starbucks zitten drie mannen aan de latte, terwijl zij uitkijken op hun gloednieuw geïmporteerde Ducati’s. Als je motoren eens lekker wilt uitlaten, moet je héél laat naar bed of héél vroeg opstaan. Zodra het licht wordt en de files beginnen, veranderen zelfs supersnelle Italiaanse motoren in pompoenen.

Maar nu is het vrijdagavond, half drie ‘s nachts. Het is de beste tijd van het etmaal in Jakarta. De laatste kassa’s gaan dicht, en de hele stad ligt (bijna) gratis aan je voeten. De overdag altijd verstopte straten liggen wijd open. Dit is de tijd om te cruisen.

Als het bluescafé sluit, begint beneden op de stoep het leven pas goed op gang te komen. Op de hoek van de Jalan HOS Cokroaminoto en de Jalan Sidoarjo, waar BB’s ligt, verwisselen de nacht en de dag van plaats. Als Jakarta in slaap valt, wordt hier alles wakker.

Dat begon ooit met de verkoop van nasi gila (gekke nasi), waarvan alleen de naam maar gek is, en het krankzinnige nachtelijke tijdstip waarop dit eten nog wordt geserveerd. Veel is het niet, die nasi: rijst met plakjes knakworst, een paar bakso-gehaktballetjes, een beetje kip, kroepoek en hete cabe om te verdoezelen dat het eigenlijk nergens naar smaakt. Maar in Jakarta reden ze daar de halve stad voor om. Omdat er verder nergens veel te eten was, en ook omdat even verderop de bencongs en waria (travestieten en transseksuelen) hun nachtelijke straatmodeshows hielden.

Gegeten werd er op de trappen van de Lippobank, met een bord op de knieën. Het trapje van Lippo groeide ongeveer een jaar geleden uit tot het drukste en gezelligste nachthoekje van Jakarta. Het werd een nachtelijke Jakartaanse versie van de Dam in Amsterdam zoals die er vroeger uitzag rondom het monument: een informele ontmoetingsplaats om wat te kletsen, te eten en muziek te maken.

Behalve die Lippotrappen en BB’s was er alleen het aftandse café Mario’s Place. Er waren ook nog enkele rafelige restaurants en het VIOS-veld: het oude stadion van Menteng. Verder was er niets, maar dat was ook niet nodig.

Alles wat ’s nachts op straat ronddobberde, spoelde hier aan. Altijd was het druk. De nasi-gila-man kreeg daarom al gauw gezelschap van andere kraampjes, het menu werd uitgebreid met sateh padang, dim sum, es kelapa, ketoprak, siomay, soto, hete rujak en verse jus. Het hoekje aan de rand van de oude villawijk Menteng slibde dicht met nachtbrakers en cruisers, die met hun schots en scheef geparkeerde auto’s de straat blokkeerden. Vóór ‘nasi gila’ stond de enige nachtelijke file van Jakarta, en de enige file waarover nooit iemand heeft geklaagd.

Het succes heeft zijn prijs gehad. In de spelonk waar Mario’s Place lag, is een gelikt hotel opgetrokken van het uniforme Ibis-soort: eenmaal binnen weet je niet in welk land je ook alweer bent. Op de vroeger altijd aardedonkere benedenverdieping knalt nu het licht van de tl-buizen van de 24-uurs Starbucks en Oh-La-La, die ook al over de hele wereld hetzelfde zijn. Aan de overkant is Plaza Menteng gerenoveerd tot een dertien-in-een-dozijn-shopping mall, en heeft de afgetakelde Al Hakim-moskee een facelift gekregen.

De trappen van de Lippobank zijn er nog, maar dranghekken links en rechts weren de eters van de marmeren rand langs het bankgebouw. Die eters zitten nu noodgedwongen aan lange rijen nieuwe tafeltjes, die tussen lange rijen al even nieuwe eetkraampjes zijn geplaatst, gesponsord door Coca-Cola en Frestea. Zelfs de file is verdwenen. Achter BB’s is een parkeergarage gebouwd. De Jakartaanse Dam is een gesponsorde ‘hangplek’ geworden.

De gezelligheid hebben ze er desondanks niet uit weg kunnen renoveren. De eters zijn er nog, net als de lopertjes die de maaltijden rondbrengen en er op wonderbaarlijke wijze voor zorgen dat alle klanten hun eten, en alle kraamhouders hun geld krijgen. Ook de bedelkinderen op hun blote voeten zijn er, de bedelmoeders met eeuwig slapende babies, de bedeloma’s met alleen hun afgeleefde gezicht en een plastic bekertje voor het geld. De zakkenrollers gaan rond, net als de hoeren.

En natuurlijk zijn er de muzikanten. Uco is drummer. Hij slaat althans met twee stokken op twee trommelvellen die op ijzeren ringen zijn gespannen en op een driepoot zijn vastgeschroefd. Terwijl zijn vrienden top-40-hits van Coklat en Peter Pan spelen, slaat hij verwoed bij elk nummer dezelfde maat, elke avond, elke nacht. ‘Tot het licht wordt’, hijgt hij. Je betaalt ze niet om te spelen. Zij spelen tot je betaalt. Pas dan houden ze op, en trekken zij naar het volgende tafeltje.

Om half drie is de nacht nog jong. Jong genoeg om naar Senayan, in Zuid-Jakarta, te rijden over de lege Jalan Sudirman waar je eindelijk eens de vierde versnelling van je auto kunt gebruiken. Al bij 80 kilometer per uur raak je in Jakarta in een snelheidsroes. In die roes hoor je naar Senayan te gaan. Daar strekt zich, tussen de upmarket shopping malls Senayan City en Plaza Senayan de brede Jalan Asia Afrika uit. De twee malls zijn dicht en donker, en alleen in een morsige 24-uurs McDonald’s brandt tl-licht dat lijkt bedoeld om de klanten weg te jagen.

Voor het ongeoefende oog gebeurt hier niets. Aan de kant van de weg staan wat drankverkopers en geparkeerde auto’s. Dat is alles. Voor wie de weg weet in nachtelijk Jakarta is dit echter ‘het circuit’. Hier worden ‘de races’ gehouden. Áls ze worden gehouden. Zeker is dat nooit, maar als ze er zijn, zijn ze op vrijdagavond.

Ook hier zie je groepjes. Anto zit er, met zijn vrienden. Anto (23) is een oude rot op deze racebaan. Talloze keren heeft hij met zijn opgevoerde Mitsubishi een sprint getrokken. Hij is er nu mee gestopt. ‘Al mijn geld ging op aan onderdelen, benzine en nitro’, zegt hij. ‘Er bleef geen cent meer over om uit te gaan. Ik ben nu 23. Het wordt tijd voor een meisje hè?’

Hij overziet met een kennersblik het circuit: een recht stuk straat van niet veel meer dan 500 meter. Geraced wordt er nu even niet. ‘Politie’, zegt hij. Aan de overkant, in het donker staat een patrouillewagen. ‘Vorige week lieten ze ons met rust. Toen waren er gokkers. Die betaalden de agenten 400 duizend rupiah (35 euro) en toen konden we racen. Vandaag zijn er geen gokkers. Niemand betaalt.’ Het maakt niet zo veel uit. De vrienden zitten naast hun auto’s, kletsen, drinken een lauwe ijsthee en zijn gelukkig. De races zijn daarvoor niet nodig.

Als na een tijd de patrouille-auto toch wegsluipt in de nacht verandert de straat echter op slag. Overal starten motoren, overal klinkt het geronk van uitlaten met gaten, overal komen mensen en auto’s in beweging. Tussen de auto’s staat een dronken starter, die opspringt, ‘START!’ roept, en rakelings door de wegsprintende auto’s wordt gemist. De auto’s spurten weg. Die op de rechterbaan wint, omdat de linker moet afremmen voor een bromfietser zonder licht. Alleen als er gegokt wordt, zijn er baancommissarissen.

Iedereen mag racen. Zelfs een taxi mengt zich in het gewoel van auto’s en rijdt onder gejoel en met piepende banden weg. Dat gejoel komt van publiek, dat net als de coureurs uit het niets is opgedoken. Na vijf, zes races is het alweer afgelopen. Ditmaal zijn het twee motoragenten die met zwaailicht het spel bederven. Geen geld, geen races.

Anto zit er niet mee. Hij streelt zijn auto en opent de kofferbak. ‘Welke muziek wil je horen?’, zegt hij. Drie versterkers, zes bassen zo groot als soepborden en een regiment kleinere speakers brengen de auto in beweging zonder dat die rijdt. Paarse en rode lampjes begeleiden het kabaal. Hij is van de snelheidsauto’s overgestapt op de mobil kecantikan, de schoonheidsauto’s. ‘Meisjes zijn er gek op.’ Het zal wel, maar vanavond laten die zich hier niet zien. Races zijn voor jongens.

Net iets te hard en met bijna piepende banden gaat het ten slotte nog maar een keer naar ‘nasi gila’. Alle tafels zijn nog steeds bezet, en Uco bonkt nog steeds zijn maat. De rasta’s zijn weer buiten. De muzikanten van Rastafari is het zwijgen opgelegd en BB’s is hermetisch gesloten. De fans spelen op meegebrachte trommeltjes en gitaren nog een beetje door. Zij krijgen langzaamaan gezelschap van straatmuzikanten die klaar zijn met hun werk. Samen doen zij wat zij het liefste doen: Jammin’, jammin’ tot het licht wordt.

Dan is het genoeg geweest. Je neemt afscheid van de nacht, al ga je als echte cruiser natuurlijk nooit rechtstreeks naar huis. Nog even stuur je je auto langs Taman Lawang: het reservaat waarheen de opruimdrift van Jakarta de transseksuelen en travestieten heeft verbannen.

In het zwakke licht van een paar straatlantaarns staan daar de laatste bencongs van vandaag. De modeshow is afgelopen. De mooie jurken hebben plaatsgemaakt voor hotpants, en gebaren winden er geen doekjes meer om: deze meisjesjongens willen meer dan alleen gezien worden. En zij hebben haast. De ochtend kijkt al dreigend om de hoek. Als je niet uitkijkt, werpen zij zich voor je auto, en dan heb je een probleem.

Je geeft gas, en rijdt de dode staart van de nacht in. Het andere Jakarta wordt wakker, en dat kun je na zo’n nacht maar beter niet meer tegenkomen.

Meer over