Toptienambitie maakt meer stuk dan de sport lief is

Investeer in sporten waarin Nederland goed is en het zal medailles 'regenen'. Aldus NOC*NSF-topman Maurits Hendriks. Maar zijn plan tot herfinanciering stuit op verzet - ook van bonden die het financieel goed gaat. 'Sommige sporten worden afgebroken.'

Van zijn ambitie heeft Maurits Hendriks nooit een geheim gemaakt. Bij zijn aanstelling als baas van de Nederlandse topsport, vier jaar geleden, zei hij onverbloemd dat hij Nederland bij de beste tien sportlanden wilde brengen.

Dat streven heeft brede steun onder de sportbonden, maar er is ophef over de wijze waarop Hendriks die toptien in Rio de Janeiro denkt te bereiken. Hij gunt meer geld aan sporten die kans maken op medailles en minder geld aan sporten die naar zijn inschatting niet kansrijk zijn.

Het aantal topsportprogramma's dat door NOC*NSF wordt gefinancierd is vanaf januari van 180 teruggebracht naar 55. Ze kosten tezamen 26,5 miljoen.

De zwembond, die bijna 2 miljoen euro krijgt, meent dat sterke sporten sterker worden gemaakt en de zwakkere worden 'afgeserveerd'. Directeur Jan Kossen: 'Er worden hoogwaardige programma's collectief bij het grofvuil gezet. Sommige sporten worden afgebroken. Wij zijn voor de focusgedachte, maar vinden dat NOC*NSF is doorgeschoten.'

De wielrenunie is evenmin tevreden, ondanks de bijna 2 miljoen euro aan steun. 'We zijn blij met het geld. Maar onze plannen zijn nooit besproken door NOC*NSF. Dat is niet fatsoenlijk en niet verstandig', zegt directeur Huib Kloosterhuis.

De badmintonbond, die van een half miljoen euro subsidie naar niets gaat, vindt dat er dubbel spel is gespeeld door NOC*NSF. Er werd geld beloofd, maar niet gegeven. 'Het heeft aan fair play ontbroken', aldus voormalig voorzitter Ted van der Meer.

De ophef is er niet zonder reden. De herverdeling van topsportgelden is een waterscheiding voor de Nederlandse topsport. Nooit eerder is het voor de top beschikbare geld (in totaal 39,2 miljoen) zo nadrukkelijk ingezet met de bedoeling medailles te winnen.

Voor Hendriks is het een logische gang van zaken. More money in, more medals out, schreef hij twee jaar geleden in een lijvige studie over de toptienambities.

Toch is het anders gelopen dan Hendriks had gehoopt. Vier jaar geleden dacht de voormalige hockeybondscoach van Nederland en Spanje meer geld te kunnen aantrekken voor de topsport. Hij dacht aan steun van de overheid, die destijds nog achter het plan stond de Zomerspelen van 2028 in Nederland te organiseren. Ook in het bedrijfsleven en bij de Lotto, de grootste financier van de topsport, dacht hij meer geld te kunnen loskrijgen.

Om zijn daadkracht te ondersteunen, dreigde Hendriks twee jaar geleden in de Volkskrant zelfs op te stappen als hij niet de beschikking zou krijgen over meer financiële middelen. 'Als ik een roepende in de woestijn word, zal ik geen lang leven hebben in deze wereld', zei hij. Hij vroeg de overheid toen om een extra investering van 30 miljoen.

Dat bedrag kwam niet. Ook de plannen die NOC*NSF-directeur Gerard Dielessen enkele maanden later in de Volkskrant lanceerde om meer geld uit het bedrijfsleven aan te boren, leverde geen extra miljoenen euro's op voor de topsport. Langzaam werd duidelijk dat Hendriks maar één mogelijkheid had om de toptienambitie waar te maken: hij moest meer controle zien te krijgen over de verdeling van het schaarse geld.

Het probleem? De sportbonden. Hij moest ze overhalen het mes in eigen vlees te zetten. Zij moesten zijn plannen om meer geld te verdelen over minder topsportprogramma's fiatteren in een algemene ledenvergadering.

Met de toptienstudie uit 2010 had Hendriks de geesten rijp gemaakt. Hij had 25 bonden gevraagd een ideaalbeeld van de toekomst te schetsen, waarin er geld in overvloed zou zijn om sporttalent tot wasdom te brengen. De bonden gaven gehoor aan zijn appèl en produceerden ambitieuze plannen die vorig jaar al tot een extra investering van 100 miljoen euro hadden moeten leiden. In 2020 had dat 200 miljoen extra moeten zijn.

Als alle wensen zouden worden gehonoreerd, zou dat Nederland volgens Hendriks 'diep in de toptien' brengen. Het bleef een fantasie, want het geld kwam er nooit.

Toch verdween de studie niet in een diepe la. Met het onderzoek in de hand kon Hendriks aantonen dat er een einde moest komen aan de fragmentarische topsportprogramma's, waarin het geld zonder aantoonbaar resultaat werd verspreid over te veel bonden.

Hij kon laten zien dat 96 procent van de medailles in acht sporten werden gewonnen: schaatsen, wielrennen, paardensport, wielrennen, roeien, judo, zeilen en zwemmen. Hij kwam op de proppen met de Australische 80-20-regel: 80 procent van het geld gaat naar 20 procent van de sporten. Zo moest het voortaan, vond hij.

Maar hoe de bonden te overtuigen? Zou volleybal vrijwillig afzien van geld om judo aan meer medailles te helpen? Of zou badminton inschikken om roeien aan succesvol te laten zijn? Zouden de bonden, kortom, bereid zijn hun lot ondergeschikt te maken aan dat van de totale topsport?

Om de geesten rijp te maken voor de koerswijziging werd anderhalf jaar geleden een werkgroep van vijftien bonden gevormd, een dwarsdoorsnede van de leden van NOC*NSF. Onder leiding van Hendriks' rechterhand Jeroen Bijl probeerden vertegenwoordigers van onder meer het zwemmen, golf, tennis, korfbal, biljarten en de paardensport tot nieuwe uitgangspunten te komen voor de geldverdeling.

De werkgroep bedacht drie criteria voor toekomstige subsidie. De wereldwijde beoefening van de sport. De kwaliteit van de topsportprogramma's. En de kansen op medailles.

Die drietrapsraket bleek van doorslaggevende betekenis toen de plannen in januari tijdens de algemene ledenvergadering van NOC*NSF met overweldigende meerderheid werden aangenomen (176 tegen 31). Doordat financiële onderbouwing ontbrak, werkte het plan als een Rorschachtest: elke sportbond kon zijn eigen optimisme op de drie criteria projecteren en zich rijk rekenen.

Stiekem hoopten sommige bonden eindelijk verlost te zijn kleine (niet-) olympische sporten. Bij NOC*NSF zijn sporten als bridge, bergbeklimmen, reddend zwemmen, squash, motorsport en poolbiljarten aangesloten. 'Iedereen wilde van de kleine bonden af', zegt directeur Michel Everaert van de volleybalbond.

Het bleef vervolgens maandenlang rustig, mede door de Olympische Spelen van Londen. De resultaten sterkten Hendriks in zijn overtuiging dat Nederland zich meer moest richten op de acht medaillesporten. Hoewel hij de twintig medailles (zesmaal goud) als een doorslaand succes wist te verkopen, eindigde Nederland in het vierde jaar van zijn bewind niet in de toptien van het landenklassement (dertiende plaats).

Zijn oplossing kwam twee weken geleden voor veel bonden als een donderslag bij heldere hemel. Zij waren tevoren niet ingelicht over de nieuwe geldverdeling en hadden nauwelijks een indicatie gekregen van de uitkomst. Ze werden plotseling geconfronteerd met het feit dat ze per 2013 veel minder vrijheid hadden om geld te besteden, of ze nu meer, minder of ongeveer evenveel geld zouden krijgen.

Naar het idee van meerdere bonden is het medailleklassement heilig verklaard. Scoren in 2016 en 2020 is belangrijker dan het in stand houden van programma's waarin jarenlang is geïnvesteerd met het oog op de toekomst. Dat gaat zelfs de succesvolle bonden te ver.

Volgens Kossen (zwembond) heeft Hendriks te rigoureus gekozen voor het derde criterium van de werkgroep: de kans op medailles. Daardoor is er bijvoorbeeld geen geld meer voor schoonspringen, synchroonzwemmen en waterpolo voor mannen, disciplines waarin Nederland volgens hem wereldwijd tot de beste twaalf behoort en waarvoor volwaardige programma's zijn opgezet.

Kossen: 'Punt drie is nu de gunfactor geworden. NOC kijkt door zijn oogwimpers naar 2020 en zegt: in die sporten gaan we geen medailles winnen. Wij zeggen dat het wel kan. Dan krijg je een welles-nietes-spelletje. Zij hebben kennis, maar wij ook.'

De onrust onder de bonden laat onverlet dat de meesten hun stem van afgelopen januari niet zouden herzien, als ze nu de kans kregen. Ze staan in grote lijnen achter de weg die Hendriks is ingeslagen. Hij is aangesteld om de Nederlandse topsport te leiden en verdient een kans om zijn stempel te drukken, is de teneur. Tegelijkertijd zijn verscheidene bonden met Hendriks in gesprek gegaan over de verdeling, in de hoop op aanpassingen.

De zwembond heeft zelfs een voorstel dat lijnrecht ingaat tegen de beslissing om Hendriks een volmacht over te geven. Alle bonden zouden een front moeten vormen om de verdeling aan te passen. Directeur Kossen: 'Laat iedereen die geld heeft gekregen 10 procent inleveren om dat te stoppen in sporten die helemaal geen ondersteuning krijgen. Dan hebben zij een stimulans om toch aan topsport te blijven doen.'

Het is onduidelijk of dat voorstel kans van slagen heeft. Zeker is wel dat de afrekencultuur die Hendriks en zijn rechterhand Bijl hebben geïntroduceerd ook voor henzelf gevolgen kan hebben. Als de bonden voor hun prestaties worden gestraft of beloond, waarom zij dan niet?

Voor Huib Kloosterhuis van de wielrenunie is het duidelijk. Als Nederland in 2016 bij de Zomerspelen van Rio niet in de toptien eindigt, moeten Hendriks en Bijl vertrekken. 'Als je zo'n grote broek aantrekt, moet je ook de consequenties aanvaarden.'

undefined

Meer over