Topmannen uit de hulpindustrie moeten van politiek stapje terug

DEN HAAG ‘Bijna iedere dag is weer een cadeautje.’ Dat schreef directeur Cees Breederveld van het Nederlandse Rode Kruis in het voorwoord van het jaarverslag over 2007....

Theo Koelé

Breederveld zou met zo’n 200.000 euro boven de Balkenendenorm uitkomen. Onzin, zegt het Rode Kruis. Het gaat om ‘slechts’ 182.000 euro, een paar duizend euro onder de Balkenendenorm.

Waarom dit spelletje welles-nietes?

In een wirwar van normen en regelingen is het moeilijk door de bomen het bos te zien in de ‘hulpindustrie’, zoals de voormalige PvdA-minister voor Ontwikkelingssamenwerking Bert Koenders ‘zijn’ sector enigszins schamper aanduidde. Hij introduceerde een nieuwe norm, ontleend aan het jaarsalaris van een directeur-generaal bij de rijksoverheid: directieleden van ontwikkelingsorganisaties mogen niet meer dan 121.000 euro verdienen. Die zogeheten DG-norm geldt vanaf 1 januari 2011 in een nieuw subsidiestelsel. Vanaf dan krijgen circa twintig particuliere organisaties en aangesloten clubs gedurende vijf jaar ruim twee miljard euro aan overheidsgeld.

Rode Kruis-topman Breederveld liet weten dat hij zich in de toekomst aan de norm zal houden. Hij moet wel, want anders kan zijn organisatie fluiten naar overheidssteun. Het is overigens een raadsel waarom hij met zijn huidige salaris niet door de mand is gevallen bij de (voorlopige) toekenning van subsidie door het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Breederveld was zich volgens een woordvoerder van het Rode Kruis van geen kwaad bewust. Hij hield zich keurig aan wéér een andere norm, opgenomen in de zogeheten code-Wijffels, die al enkele jaren van kracht is. De code (‘goed bestuur voor goede doelen’) kende vorig jaar een plafond van circa 154.000 euro. Breederveld heeft een jaarsalaris van 141.828 euro.

Maar wat moet er bij ‘kale’ jaarsalarissen opgeteld worden? Pensioenpremies, een auto van ‘de zaak’, wachtgeldregelingen, bonussen? Hans Sluijter, die de onafhankelijke website Updaid beheert, bracht eerder dit jaar de topsalarissen in kaart, door de betrokken ontwikkelingsorganisaties te benaderen. Het bleek dat sommige clubs sociale lasten (al gauw zo’n twintig miljoen) wél meldden, en andere niet. Het Rode Kruis volstond met het sturen van een jaarverslag, waar Sluijter niet veel wijzer van werd.

Het gaat hem naar eigen zeggen niet om cijferfetisjisme en ‘juridisch geneuzel’. ‘Het zal wel kloppen wat het Rode Kruis zegt. Maar daar gaat het niet om.’ De vraag is of salarissen over de hele linie te hoog zijn. Sluijter kreeg verbolgen reacties van collectanten die met veel moeite enkele honderden euro’s ophalen. ‘Je hebt 200 tot 400 mensen nodig om de opbrengsten weg te strepen tegen het salaris van één persoon.’

Ontwikkelingshulp staat steeds vaker bloot aan kritiek, zowel in de politiek als in de samenleving. CDA-minister Maxime Verhagen van Buitenlandse Zaken, die de portefeuille van Koenders overnam, is zich daarvan bewust. Hij verlaagde de subsidie aan SNV Nederland, een grote adviesorganisatie voor ontwikkelingswerkers, omdat de directieleden weigerden een deel van hun salaris in te leveren. Weliswaar schonden ze geen enkele norm, maar ‘topsalarissen (van 160.000 euro, red.) zijn niet passend voor een organisatie als de SNV, die zich bezighoudt met armoedebestrijding en voor het overgrote deel wordt betaald vanuit publieke middelen’. De strafkorting is weliswaar gering, pakweg een ton, maar geldt wel als waarschuwing.

Theo Koelé

Meer over