Reportage

Tolk Abdul vluchtte, zijn dochter moet nu onderduiken. ‘Ik had het gevoel dat we Afghanistan aan het opbouwen waren’

Abdul, in Dronten. De Afghaanse tolk werd bedreigd door de Taliban en vluchtte vorig jaar naar Nederland.  Zijn dochter in Afghanistan moet nu onderduiken.  Beeld Jiri Büller
Abdul, in Dronten. De Afghaanse tolk werd bedreigd door de Taliban en vluchtte vorig jaar naar Nederland. Zijn dochter in Afghanistan moet nu onderduiken.Beeld Jiri Büller

Nederlandse militairen prijzen hem uitvoerig, maar zijn kleinkinderen noemen hem een ‘slechte man’. De Afghaanse tolk Abdul vluchtte vorig jaar naar Nederland. Zijn achtergebleven dochter en haar kinderen zijn ondergedoken uit vrees voor de Taliban.

Onder zijn arm heeft Abdul een roze map geklemd, vol papieren en foto’s. De map puilt uit van dankbetuigingen en complimenten van het Nederlandse leger, voor Abduls ‘excellente’ werk als tolk tijdens de wederopbouw van Afghanistan. ‘Zijn inzet en toewijding zijn een voorbeeldige bijdrage aan de toekomst van Afghanistan’, schrijft de toenmalige Nederlandse majoor bijvoorbeeld onder Abduls ‘certificaat van buitengewone prestatie’.

De 59-jarige Abdul betaalde niet alleen zelf de prijs voor het helpen van het Nederlandse Provincial Reconstruction Team (PRT) in zijn toenmalige woonplaats Pol-e Khomri, hoofdstad van de provincie Baghlan. Door dat werk – tussen 2004 en 2006 – zit zijn dochter Amina (33) nu al drie weken in Afghanistan ondergedoken met haar man en zes kinderen. Als enige achtergebleven kind van Abdul is ze doodsbang dat de Taliban wraak komen nemen voor de samenwerking van haar vader met de Nederlandse en later Hongaarse militairen.

Amina’s stem klinkt zondagmorgen zacht door de telefoon van Abdul, die haar woorden in het Engels vertaalt. Familieleden en vrienden die haar tijdens de opmars van de Taliban aanvankelijk nog een slaapadres aanboden, durven niet meer. Ze zijn doodsbenauwd dat de Taliban erachter komen en represailles nemen.

Abdul vertaalt strak en zonder emotie. Maar als Amina vertelt over wat het voor haar jonge kinderen betekent om in twee weken vier keer van slaapplaats te moeten wisselen, breekt hij. ‘Kinderen moeten buiten kunnen spelen’, zucht hij. ‘Maar Amina vraagt ze steeds om stil te zijn, zodat niemand kan horen waar ze zitten. Dat kunnen kinderen helemaal niet.’

In Nederland zet mensenrechtenadvocaat Barbara Wegelin druk op het ministerie van Buitenlandse Zaken en de IND om Amina en haar gezin zo snel mogelijk naar Nederland te halen. Amina komt vooralsnog niet in aanmerking voor evacuatie, omdat ze meerderjarig is en zelf niet voor de Nederlandse overheid heeft gewerkt. ‘Maar Nederland is het aan zijn stand verplicht om Amina te helpen’, vindt Wegelin. ‘Abdul heeft ons uit de brand geholpen, daardoor zijn zijn dochter en haar gezin nu in levensgevaar.’ Volgens Buitenlandse Zaken is Amina’s dossier ‘bekend bij de IND’, maar die zegt ‘niet op individuele gevallen te kunnen ingaan’.

Asielzoekerscentrum

Abduls kleinkinderen noemen hem inmiddels ‘een slechte man’, ze vinden dat hij hen in de steek heeft gelaten. In december vorig jaar vluchtte hij met zijn vrouw naar Nederland, waar hij na een reeks omzwervingen belandde in het asielzoekerscentrum in Dronten. Eerder had hij al geprobeerd asiel aan te vragen in Oezbekistan, Pakistan en India.

Zijn jongste zoon studeert in India, zijn oudste was al voor hem uit gevlucht naar Zweden en woont nu met zijn ouders in het azc. Ook voor hen was Afghanistan niet veilig meer, nadat er volgens Abdul een prijs op zijn hoofd was gezet. Dat de Taliban hem sinds 2005 als spion en verrader beschouwen, is volgens hem terug te voeren op één onhandig telefoontje van de Nederlandse militairen.

Dat jaar leidde de Mohammed-cartoon (die met een bom in een tulband) van de Deen Kurt Westergaard ook in Afghanistan tot furieuze reacties. Inwoners gingen de straat op om hun afkeer te uiten tegen het Westen. Om te weten of er ook aanslagen gepland zouden worden tegen konvooien of de eigen legerbasis, vroegen Nederlandse militairen of Abdul zo’n betoging kon bijwonen. Als man van middelbare leeftijd zou hij, zeker in traditionele kleding, niet opvallen.

Tijdens de demonstratie kreeg Abdul telefoon van een Nederlandse militair. Hij liep weg uit de menigte en beantwoordde een paar vragen in het Engels. Toen hij naast zich keek, herkende hij een man uit zijn straat die informatie verzamelde voor de Taliban. ‘Waarom praat jij Engels? Je brengt verslag uit aan jouw bazen’, zei de man.

‘Rechtbank’ van de Taliban

Het telefoontje veranderde op slag Abduls leven. De Taliban begonnen hem en zijn gezin te bedreigen, en dat werd alleen maar erger toen de Nederlandse militairen zich eind 2006 uit Pol-e Khomri terugtrokken. Abdul kreeg de oproep zich te verantwoorden voor een ‘rechtbank’ van de Taliban, ook al waren die helemaal niet aan de macht.

Toen hij weigerde, werd hij vogelvrij verklaard. ‘We zullen jou vinden, jij gaat hier de prijs voor betalen’, stond in een brief die op zijn deurmat lag. Hij verhuisde drie keer met zijn gezin. Steeds weer spoorden de Taliban hem op.

Zijn dochter was toen al het huis uit, ze trouwde met een man uit een andere provincie. Maar omdat zijn zoons nog bij Abdul inwoonden, vreesde hij ook voor hun levens. De oudste stuurde hij naar Europa, de jongste ging studeren in India. De Taliban hadden het ook op zijn oudste zoon gemunt, omdat hij had gewerkt voor een meisjesschool.

Een incident op zo’n school haalt Abdul als voorbeeld aan, gevraagd hoe hij de Nederlandse militairen door het mijnenveld van de vaak enorme culturele verschillen loodste. Tijdens een levering van hulpgoederen knipoogde een hoge militair, zonder bijbedoeling, naar het vrouwelijke schoolhoofd. Abdul zag haar verstijven en haastte zich uit te leggen dat een knipoog in de Nederlandse cultuur niet betekent dat je met iemand naar bed wilt. ‘Maar doe dit alsjeblieft nooit meer’, gaf hij de militair mee.

Zonder wrok

Veertien jaar later kijkt de door Nederland zo omstandig geprezen tolk zonder enige wrok om naar de tijd dat hij, op een door het leger betaalde fiets, zijn 48-urige werkweken maakte in dienst van de internationale gemeenschap. Op foto’s met lachende Nederlandse militairen is zijn blik nog hoopvol. ‘Ik had het gevoel dat we Afghanistan aan het opbouwen waren. Daarom heb ik dit ook gedaan: voor mijn land.’

Hij aarzelt even na de vraag of hij de Nederlandse overheid iets kwalijk neemt. ‘Ik heb geen enkel recht om te zeggen dat ze schuldig zijn aan de situatie van mijn dochter’, begint hij. ‘Maar als mensen mij als vriend beschouwen, verwacht ik dat ze mij ook helpen als ik in nood ben. Die nood is er nu. Mijn dochter is in levensgevaar.’

Meer over