Toevallig

Op elk moment zal er wel iemand een boek van Gerrit Krol aan het lezen zijn

PETER BUWALDA

en van mijn sympathieke eigenschappen is dat wanneer iemand een sterk verhaal opdist ik meteen een sterker verhaal probeer op te dissen.

'Moet je horen', zei mijn broer deze week, 'gisternacht wilde ik lezen, maar ik wist niet wat, dus ik pak zomaar iets uit de kast, De chauffeur verveelt zich van Gerrit Krol. Na twee hoofdstukken val ik in slaap, en de volgende ochtend...'

'De pijp uit.'

'Precies.'

Een andere sympathieke reactie op iets toevalligs is meteen voorrekenen dat het allemaal niet zo toevallig is. Zo'n man leek Krol me. Waarschijnlijk zou hij mijn broer hebben voorgehouden dat je talloze keren een boek pakt van een schrijver die gewoon doorleeft, honderd, misschien wel duizend keer - wat op een dag natuurlijk fout afloopt. En andersom, ga als schrijver met enig succes maar eens dood zonder dat ze ergens een boek van je zitten te lezen. Ik denk dat er altijd wel iemand bezig is in een roman van Gerrit Krol.

Enfin, ik ging dus overtoepen. Ik vertelde mijn broer dat ik ooit de assistent van Arend Hosman was, inmiddels uitgever van Thomas Rap, maar destijds maakten we samen Pandora Pockets. Omdat we misschien liever deeltjes Russische Bibliotheek hadden gemaakt, kwam het gesprek op Helmut Salden en zijn typografie. Prachtige letters, vonden we. (Kees Fens vond dat ook, die vergeleek een bladzijde Gogol van Salden ooit met een fuga van Bach, wat ik een tikje overdreven vind. Je gaat ook geen hamlap van Robert Kranenborg vergelijken met de Canterbury Tales.)

'Moet je horen', zei Arend de volgende ochtend, 'gisteren stond ik voor mijn vaders boekenkast, een enorme wand, en tussen die honderden boeken zag ik een heel dun boekje staan, De ontgoocheling van Thomas Mann. De letters op de rug leken me van Helmut Salden. Ik pakte het eruit, en wat denk je?'

'Helmut Salden?'

'Vóór in dat boek stond jouw naam.'

'Kan niet', zei ik - wat zo was. Ik doe nooit boeken weg en ik leen ze al helemaal niet uit. Ik sta nog liever een nier af.

Toch kon Arend me precies vertellen wanneer en waar ik het gekocht had: in Utrecht, begin jaren negentig. Er begon iets te dagen. Ineens herinnerde ik me een bezoekje aan Hinderickx & Winderickx, het beste antiquariaat van Utrecht. Zomaar wat rondhurkend luisterde ik een gesprek af tussen de verkoper en een vrouw van een jaar of 35 die vroeg naar De ontgoocheling, nee, niet van Elsschot, maar van Thomas Mann.

Hebben we niet.

Maar ik wel. Zat in mijn plastic tasje. Was er die ochtend in begonnen. Dat vond ik zo toevallig dat ik besloot om het uit te lenen, geheel tegen mijn principes in, maar het was een mooie vrouw. 'Die vrouw', zei Arend, 'dat is dus de tweede echtgenote van mijn vader.' De schijven van het lot tolden als planeten om mijn oren.

'Toevallig, hoor', zei mijn broer. 'Maar wat heeft dit te maken met Gerrit Krol?'

Niks. Nou ja, weinig. Of het moet zijn dat zelfs Gerrit Krol had moeten toegeven dat dit toch wel heel toevallig was, allemaal.

undefined

Meer over