Bericht uit PolenArnout le Clercq

Toen ik bijkwam uit de narcose stond er een Poolse priester naast mijn bed

Ik had de mazzel mijn elleboog te breken op een plek waar jaarlijks honderden skiërs en bergbeklimmers in het ziekenhuis eindigen.  Beeld Piotr Malecki
Ik had de mazzel mijn elleboog te breken op een plek waar jaarlijks honderden skiërs en bergbeklimmers in het ziekenhuis eindigen.Beeld Piotr Malecki

‘Pas op, het is glad’, zei tolk Patrycjusz nog. Na een nacht met zestien graden vorst in het Poolse bergdorp Koscielisko was de stenen trap van ons pension bedekt met een dikke laag ijs. Dat ik mijn volgende stap iets voorzichtiger zette, mocht niet baten. Ik zwiepte met notitieblokje en al omhoog en landde een paar treden lager op de trap. Ik had niet eens tijd om te vloeken. Een alarmerend gevoel vergezelde de pijn van de val: ik kon mijn linkerarm niet meer bewegen.

Op naar de Eerste Hulp in wintersportparadijs Zakopane. Na een doolhof van coronatriage en een uur wachten op traditionele houten bankjes met afbeeldingen van vrolijk dansende bergbewoners, werd ik uit mijn dikke winterjas geholpen om eens naar de arm te kijken. De arts gaf een duwtje op mijn elleboog en ik viel bijna flauw van de pijn. Mijn flat in Warschau voelde opeens wel erg ver weg. De röntgenscans bevestigden dat: mijn elleboog was gebroken, deels ontwricht en moest worden geopereerd. Zodoende verbleef ik vijf dagen in het publieke ziekenhuis in Zakopane.

Publiek betekent in Polen allesbehalve seculier, ontdekte ik opnieuw. Toen ik bijkwam uit de narcose stond er een priester naast mijn bed. Ik begreep er niets van. Ik hallucineer, dacht ik, in mijn waas van pijn. Tegen beter weten in prevelde ik in het Pools: bent u een arts? Nee, antwoordde hij triomfantelijk, ik ben een priester! Maar waarom, wilde ik weten. Nou, om de communie toe te dienen. Hij was er helemaal klaar voor: kelk en hostie in de aanslag, Poolstalige liturgie in een vouwblad om mee te lezen. Later leerde ik dat hij dag in dag uit door de gangen van het ziekenhuis trekt om de ziekencommunie toe te dienen. Ik bedankte vriendelijk.

Of hij nog iets voor me kon doen. Misschien toch die arts, zei ik. De pijn werd stilaan ondragelijk, alsof er een auto over mijn elleboog was gereden. Met een ruisende soutane verdween hij uit mijn kamer. Even later kreeg ik bezoek van zuster Kasia. Ik vroeg of er zojuist echt een priester aan mijn bed had gestaan. Ze moest erg om die vraag lachen, voordat ze me op een wolkje morfine de nacht instuurde. De volgende ochtend kwam de priester terug om een praatje te maken. ‘Het spijt me als ik je liet schrikken. Je dacht zeker dat je dóódging, met een priester aan je bed, haha.’

De geestelijke verzorging was bevreemdend, de fysieke zorg was uitstekend. Ik had de onwaarschijnlijke mazzel mijn elleboog te breken op een plek waar jaarlijks honderden skiërs en bergbeklimmers in het ziekenhuis eindigen en botbreuken dus gesneden koek zijn. Maar in mijn ziekenhuisbed met uitzicht op de Poolse Tatra’s begreep ik de grotere paradox van de Poolse gezondheidszorg iets beter. Het medisch personeel is steengoed, onder meer door de lange en zware opleiding, maar er is gebrek aan alles.

Zo vroeg de orthopedisch chirurg, volgens mijn arts in Warschau een van de beste in Polen, of ik 50 zloty cash had voor een mitella. Die moest ik namelijk kopen bij een oud vrouwtje, dat in een aanpalende winkel een handel dreef in middelen die het ziekenhuis ontbeerde. Hetzelfde gold voor basisbehoeften als water, waarvoor je afhankelijk bent van familieleden of klinkende munt. Wat betekent het precies dat de Poolse zorg ‘slecht’ zou zijn, zoals we vaak schrijven? De nuance van medische expertise en materieel gebrek is me duidelijker geworden. Ik ben een waardevol inzicht rijker. Plus een schroef in mijn elleboog.

Meer over