Toch een beetje míjn stad

Bart Dirks ziet zijn geboorteplaats veranderen van mijnstad tot Parkstad...

Bart Dirks

Lange tijd wilde ik er nog niet dood gevonden worden. Maar ik was er wel geboren, in het De Wever Ziekenhuis. Dat schept een band voor het leven, of je het wilt of niet.

Heerlen, dat was dat uit zijn krachten gegroeide dorp, die lelijke puist in het Zuid-Limburgse Heuvelland, die kleine grootstad waar ze zich beter voelden dan de ‘boeren’ uit de omgeving. Waarom? Hoogstens omdat Heerlen niet alleen een C & A en V & D had, maar ook Schunck, de lokale variant van de Bijenkorf.

Maar zelfs Schunck kon het minderwaardigheidscomplex van het grijze Heerlen, op 25 kilometer van het chique Maastricht, nooit verdrijven. Ik kwam er alleen om mijn opa’s en oma’s te bezoeken in zorgcentrum Douvenrade.

Negen was ik toen mijn wijk, Treebeek, bij Brunssum werd ingedeeld. In mijn herinnering een opluchting, want met het ‘verre’ Heerlen (het centrum lag negen kilometer verderop) hadden we niets. Dan liever Brunssum, alias De Parel van de Oostelijke Mijnstreek! Geen kunst natuurlijk, als je het moet opnemen tegen Heerlen en – godbetere – Kerkrade.

Heerlen werd een provinciale wereldstad dankzij de staatsmijnen. Ze brachten welvaart én stoflongen. Mijn opa kon er over meepraten, al deed hij dat zelden. Zijn laatste jaren kon hij, asgrauw en kortademig, niet buiten de zuurstoffles bij zijn stoel. Daarom háátte ik de mijnen, die tussen 1966 en 1974 (twee jaar na mijn geboorte) door Den Uyl werden gesloten.

Maar ik miste ze ook. De Lange Jan en de Lange Lies, de schoorstenen die decennialang de Heerlense skyline bepaalden, werden zonder pardon neergehaald. Toen we in 1983 met de klas toekeken hoe de 63 meter hoge ‘Schacht III’ van staatsmijn Emma werd opgeblazen, vroeg de juf waarom ik huilde. Imposanter industrieel erfgoed heb ik nooit meer gezien.

Den Haag wees Heerlen ter compensatie voor de traumatische mijnsluitingen een filiaal van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) toe, en ook het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) streek er neer. Lelijke kantoren trouwens.

Toch was Heerlen in de jaren vijftig ‘de modernste stad van Nederland’. Dat beweerde architect Hubert-Jan Henket (Heerlen, 1940) vorig jaar in een lezing. Juist de mijnen brachten ‘een sterk gevoel van bevrijding, van moderniteit, van de kracht van innovatie’. Helaas werden na de mijnsluitingen ‘rigoureus alle fysieke herinneringen aan een heroïsch verleden gesloopt en verwijderd’, aldus Henket. ‘Heerlens moderniteit, een deel van zijn DNA, werd vernietigd.’

Dát verpieterde Heerlen leerde ik kennen. De mooie gevels in de winkelstraten waren verpest door lelijke puien, de CBS-weg stond bekend als tippelzone, het NS-station was zwervershotel. Zelfs het ooit zo stoere Glaspaleis van Schunck (anno 1933) werd aan zijn lot overgelaten.

Keert het tij? Heerlen en Kerkrade profileren zich als ‘Parkstad Limburg’, het opgeknapte Glaspaleis is benoemd tot ‘een van de duizend belangrijkste architectuurmonumenten van de 20ste eeuw’. Eens per jaar ga ik naar Heerlen. Zomerfestival Cultura Nova toont een ándere stad: voorstellingen in parkeergarages, grindgroeven of een te slopen zwembad zijn het handelsmerk. Heerlen krijgt een facelift, maar mag nooit al zijn rafelranden uitwissen.

Bart Dirks

Meer over