'Timor Basta!'

De Portugezen lopen al weken te hoop tegen het geweld in Oost-Timor. Alle monumenten in Lissabon zijn afgedekt met zwart landbouwplastic....

Alsof de Bulgaarse inpak-kunstenaar Christo de stad onder handen heeft genomen. Let terlijk elk monument, elk gedenkteken is aan het oog onttrokken, mag niet meer gezien worden. Een flinke klus, want Lissabon is een stad van monumenten. Hier wordt het verleden van een imperium levend gehouden.

En nu zijn ze alle verdwenen, van de Marques de Pombal tot het ruiterstandbeeld van koning Joao iv op het Rossio, de gedenktekens voor de talloze oorlogen waaraan Portugal deelnam, de erezuilen voor 's lands schrij vers en andere helden. Ze zijn ingepakt in grote stukken zwart plastic, bijeengehouden met witte touwen. Aan de voet van de nu wat lugubere spookbeelden staan borden met de reden van de actie, rode letters op een zwarte achtergrond: 'Timor Basta!' Zolang het volk van Timor, formeel nog altijd een Por tugese kolonie, zolang dat volk lijdt onder het Indonesisch geweld, heeft het moe derland er geen enkele behoefte aan welke held of heldhaftigheid ook uit het eigen verleden te gedenken. De geschiedenis wijkt voor het heden, en het heden heet Timor.

Lissabon heeft een gedaantewisseling ondergaan die niet beperkt is gebleven tot ingepakte beelden. In de hele stad hangen witte lakens. Het is echter niet de was, die doorgaans vrolijk in de straten wappert, de lakens dienen om het gebrek aan witte vlaggen te compenseren: het wit symboliseert de vrede die Lissabon de Timorezen toewenst.

Elke winkel en elke bar in de stad heeft een plakkaat op het raam, met opschriften als 'Een volk schreeuwt om hulp' en 'Laat Timor niet stikken'. De reclamezuilen in de grote straten zijn overgenomen door het stadsbestuur van burgemeester Joao Soares, de zoon van ex-president Mario: 'De gemeente Lissabon eist vn-ingrijpen nu!' De kran ten puilen uit van de grote advertenties, zoals die van de Portugese ptt op alle voorpagina's: 'Timor kan niet wachten.'

Het is geen simpele protestactie meer, maar een massale uitbarsting van ongenoegen en verzet, van solidariteit met de laatste uithoek van het ooit zo roemruchte wereldrijk. In golven trekken de Portugezen door hun steden en dorpen, met een massaliteit die sinds de Anjerrevolutie van 1974 niet meer is vertoond. Het devies: 'Iedereen de straat op voor Timor' legt niemand achteloos naast zich neer. Heel Portugal is een stroom van collectieve hongerstakingen, bloemenofferandes aan de grote rivieren, zingende moeders, kilometers lange menselijke ketens die buitenlandse ambassades in de hoofdstad of de rivieroevers in Porto verbinden, nacht wakes met duizenden kaarsjes, concerten en demonstraties. De bond van motorrijders verzamelt een enorme menigte op ronkend protesterende motoren in de binnenstad van Lissabon; de volgende dag ziet het zwart van de wielrenners; de dag erop is het de beurt aan de brandweerauto's.

Een minuut stilte bij voetbalwedstrijden. De vlag van het Timorese verzet geplant op de top van de hoogste berg van het land. De politiebond die de Indonesische politie veroordeelt en mede schuldig verklaart aan het bloedbad op Timor. Muurschilderingen bij de Amerikaanse ambassade. Massacon certen met de fine fleur van Portugal op het podium, zangers, acteurs, schrijvers, politici. Alle tv-zenders constant in de lucht met nieuws over Timor en de acties in Portugal, de nieuwslezers en verslaggevers voorzien van een witte strik op de revers. Honderdduizenden e-mails verzonden naar president Clinton, 33 duizend faxen op één dag naar de vn. En tussen alles door klinkt de oude linkse leus die al bijna was vergeten: A luta continua - de strijd gaat door.

'De Portugese regering en de hele Portugese maatschappij zijn ongelooflijk betrokken bij Timor', zegt Roque Ro drigues. 'Ik ben werkelijk beduusd van de mate van betrokkenheid. Ik was in Lissabon tijdens de Anjerrevolutie en zelfs toen was de mobilisatie niet zo massaal.' Rodrigues is de vertegen woor diger in het moederland van de Conseilho Nacional de Resistencia Timor ense (cnrt), de nationale verzetsraad van Timor. Zeg maar de ambassadeur van Timor Lorosae, het Timor van de Rijzende Zon, zoals het nieuwe land door verzetsleider Xanana Gusmao is gedoopt.

Rodrigues huist in een van die typisch derdewereldpanden waar Lissa bon zo vol van is, met hoge verveloze gangen, krakende vloeren, lege zalen met een paar tafeltjes, twee dode rozen in een mineraalwaterfles. 'Ja, zodra Ti mor als staat is erkend, is dit de ambassade.' Hij praat geëmotioneerd over de situatie in Oost-Timor, over de 'slagersknecht Alatas', de Indonesische minis ter van Buitenlandse Zaken 'achter wiens glimlach een moordenaar schuilgaat', over de concentratiekampen in West-Timor. Maar als de houding van Por tu gal ter sprake komt, verandert zijn toon op slag.

'Het volk van Timor zal dit buitengewone blijk van liefde van Portugal nooit vergeten. Onze bisschop Ximenes Belo is hier na zijn vlucht uit Timor als een nationale held ingehaald, er waren meer mensen op de been dan toen de paus kwam. Op alle bijeenkomsten en demonstraties die ik bijwoon, voel je de warmte, de gemeende betrokkenheid bij het lijden van ons volk. Er wonen een kleine tweeduizend Timorezen in Por tugal. Wat die doen? Hetzelfde als de Portugezen, ze protesteren en demonstreren. Maar voor alles wachten wij op de dag dat we terug kunnen naar ons land, zodat we kunnen beginnen aan de wederopbouw, daar willen we allemaal aan meedoen. Ik ben nu vijftig en al 24 jaar weg uit Timor, dat is bijna de helft van mijn leven.

'Mijn belangrijkste taak in Portugal was de dialoog met de regering en met alle denkbare maatschappelijke groepen. Ik heb de laatste jaren de scholen platgelopen om de situatie op Timor aan de kinderen uit te leggen. Daar zie ik nu de resultaten van, ik zie dat mijn werk goed is geweest. De betrokkenheid bestaat niet alleen in Lissabon en de andere grote steden. Tot in het kleinste dorp zijn de mensen op de been, en hoor je leuzen als "Leve de vrijheid". Maar mijn taak zit er bijna op, ik kan me gaan voorbereiden om mijn terugkeer naar huis.'

Het mes snijdt aan twee kanten. De Ti morezen zijn Portugal dankbaar voor de betoonde solidariteit, en aan de andere kant hebben de Portugezen de kwes tie Timor aangegrepen voor een soort nationale zelfloutering. Voor weinig zaken leek het grote publiek nog warm te lopen, teleurgesteld in de politici die zich vooral bekommerden om futiliteiten en het verbeteren van hun eigen positie. 'Ik dank de Timorezen voor wat jullie voor ons doen', verklaarde premier Antonio Guterres bij de presentatie van het nieuwe verkiezingsprogramma van de Socialistische Partij, een presentatie die geheel in het teken van Timor stond. Het bloedbad heeft, aldus Guterres, op zijn minst een positief resultaat voor de Portugezen: 'De Timo rezen hebben de Portugezen geholpen zichzelf te hervinden. Portugal heeft zijn waarden en principes hervonden, Por tugal heeft het beste van zichzelf hervonden. Ik ben er trots op dat ik premier van dit land ben.'

De loutering en de wedergeboorte van Portugal hebben zich voltrokken in een paar weken van massa-demonstraties. Een klein wonder, vinden de mees te commentatoren. 'De afgelopen veertien dagen hebben onze ziel goed gedaan', schrijft Marcelo Rebelo de Sousa in de krant O Publico. 'We hebben ge toond dat we ons gevoel voor grote nationale en humanitaire kwesties niet heb ben verloren. Ze hebben ons doen lijden, niet voor een nabij en rijk stukje van een imperium, maar voor een ver en arm land dat vrij en onafhankelijk wil zijn. Ze hebben de politiek nieuwe waardigheid gegeven, de politiek die in zijn meest verheven gedaante genereus is, be langeloos en altruïstisch.'

En hij voegt er een niet onbelangrijk laatste punt aan toe: 'Ze hebben 25 jaar later historische vergissingen en debâcles van persoonlijk en collectief vergeten en negeren, goedgemaakt. Als wij als natie allemaal de last hebben gevoeld van een slecht voorbereide en nog slechter uitgevoerde dekolonisatie, dan voelen wij ons nu als natie verenigd op dit moment van een nieuwe afrekening met de geschiedenis.'

Het hoge woord is er uit: het belaste geweten van Portugal. De dekolonisatie is een van de zwarte bladzijden in de Portugese geschiedenis. Tijdens de dictatuur werd met grof geweld gepro beerd de resten van het wereldrijk bijeen te houden. Na de Anjerrevolutie wer den ze overhaast afgestoten, zodat landen als Angola en Mozambique totaal onvoorbereid op eigen benen moes ten gaan staan, met gevolgen die tot op de dag van vandaag zichtbaar zijn. Met Timor kwam het niet zo ver door de Indonesische invasie van 1975.

Nu de protestgolf zo'n ongekende om vang heeft aangenomen, komen de vragen: is het alleen solidariteit die ons Portugezen de straat opjaagt of worden wij ook gedreven door schuldgevoel? Hebben wij in de jaren van Indone si sche bezetting wel alles gedaan voor Timor? Het antwoord laat zich raden: nee. 'Wij hebben de Timorezen aan hun lot overgelaten, niet de aandacht gegeven die een volk verdient dat jaren door ons is bestuurd', meent Eduardo Lou ren ço, columnist van het weekblad Visao. 'Het Timorese volk was tegelijk slachtoffer, held en alibi: zonder Timor zouden wij geen buitenlandse politiek en presentie hebben gehad. Van alle capriolen met onze late en eindeloze dekolonisatie is Timor de meest duistere en ondoorzichtige geweest. Timor was 'onze zaak' met de agressor Indonesië, en daarmee basta. Er heeft hier geen enkele discussie plaatsgevonden over de omvang van de tragedie, er was niet eens fatsoenlijke informatie over.'

De Timorese leider Roque Rodrigues meent dat het schuldgevoel van de Portugezen irrelevant is: 'President Sam paio en premier Guterres weten heel goed dat het dekolonisatieproces van de Portugezen vol fouten is geweest. Maar het is niet goed te leven in het verleden. Het verleden is geen kwestie van eer, het heden wel. De Portugezen mogen heel trots zijn op de morele acties die zij de laatste weken hebben gevoerd.'

Ondanks de coulante opstelling van Rodrigues, heeft Portugal toch eer st en vooral een grondig gewetensonderzoek nodig, schrijft commentator Mi guel Vale de Almeida in O Publico: 'Timor is een voorbeeld van slechte dekolonisatie. De tragische ironie wil dat onze bevrijding van de dictatuur ons de voorwaarden liet scheppen voor de gruwelen van Timor. Maar kunnen wij ons daarvoor tot in de eeuwigheid verontschuldigen? Is niet het moment gekomen om verantwoording af te leggen, een naakte en harde confrontatie met de geschiedenis aan te gaan?'

Meer over