Tijdrekken in Parijs maakt Kosovo nerveus

In Kosovo wachten de Albanezen in spanning af wat de Serviërs zullen doen nu het vredesoverleg is verlengd. Maar in Belgrado wijst niets erop dat een groot offensief wordt voorbereid....

'De Serviërs hebben tot woensdag de tijd gekregen. Weer zes dagen erbij. Dagen waarin ze kunnen doen wat ze willen.' Ardi, redacteur van de Albanese krant Koha Ditore, telt dagen. Niet alleen de zes van Parijs, maar ook die van afgelopen week, en de week daarvoor. Dagen tellen is, zegt hij cynisch, alles wat overblijft voor een krant, wanneer al het andere geen nieuws meer is.

'Dat er gevochten wordt is geen nieuws meer. Dat dorpen beschoten worden is normaal. Elke dag gebeurt het. Alleen de namen van de doden, en de namen van de dorpen veranderen. We melden het. En we tellen de dagen. Vandaag is het de vierentwintigste dag dat de dorpen rond Klina worden beschoten. De strijd rond Drvare duurt . . . een week? En daar komen nu weer zes dagen bij. Wat zullen de Serviërs daarmee doen? Meer beschietingen. En verder? Een groot offensief, vrees ik.'

De Albanese delegatie heeft donderdag in Parijs een akkoord ondertekend, maar dat nieuws speelt amper meer een rol. Drie weken geleden zou dat een feest zijn geweest, een gebeurtenis. Zelfs maandag, aan het begin van de hervatting van de besprekingen in Parijs, zou het nog iets hebben betekend. Maar nu is de plechtigheid een loos en machteloos gebaar. 'Parijs' is mislukt en die mislukking wordt nog eens overschaduwd door de zes dreigende dagen die de Serviërs zijn toegemeten.

Zes dagen waarin het 'normale' leven in Kosovo kan doorgaan. Tanks en pantserwagens hinderen het verkeer op de smalle weg naar Pristina, speels wordt zo nu en dan een personenwagen de berm in gejaagd, langs de snelweg van Belgrado naar het zuiden parkeert een pantserwagen met luchtafweergeschut, een konvooi gloednieuwe politiejeeps trekt richting Kosovo.

In Pristina sluiten de winkels en cafés al om vijf uur, in plaats van zeven. Er is gevochten bij Vucitrn, huizen zijn in brand gestoken, dorpen bij Klina met granaten bestookt, ook aan de grens met Macedonië moeten dorpen het ontgelden. Misschien gaat het de komende zes dagen zo door. Misschien ook niet. Kosovo kan niet anders dan afwachten, en zien wat 'ze' met de tijd gaan aanvangen.

Belgrado lijkt eveneens meer op afwachten dan op daden te zijn ingesteld. Niets wijst erop dat Servië zich voorbereidt op een oorlog. Zelfs radicale nationalisten als Seselj houden zich rustig. En ook Ojdanic, de opperbevelhebber van het leger, komt op de 'dag van de officieren' niet verder dan een beschaafd: 'Als het nodig is zullen we tonen dat we goede strijders zijn. Maar ik hoop dat dat niet zal gebeuren.'

Het journaal wordt sinds enkele dagen opgesierd met een nieuw propagandafilmpje dat ook al aanzienlijk minder militaristisch is dan het vorige. Het toont spelende kinderen en zwemmende mensen, begeleid door teksten die alleen maar indirect verwijzen naar Kosovo en naar de dreigende NAVO-bommen. 'Wanneer de hemel zich opent en de Dag des Oordeels komt, blijven wij hier, waar onze wortels liggen. Dit is mijn land, ik geef het niemand, zelfs niet als ik ten onder ga. Wat is een man zonder trots, wat is een vrouw zonder liefde, wat is een kind zonder vreugde, wat zijn wij zonder onze heilige grond.'

Belgrado houdt zich in. In de Joegoslavische hoofdstad wordt amper gespeculeerd over de vraag waarom. 'Misschien willen ze paniek vermijden', suggereert Nevena, een studente. 'Misschien zijn ze in de war, en weten ze niet hoe ze het volk moeten vertellen dat er nu echt NAVO-bommen komen', voegt ze er een beetje angstig aan toe. Om dan zelf de meest gestelde vraag te stellen: 'Denk je dat ze echt gaan bombarderen?'

Meer over