interviewKitty Trepels van Mil

Theaterdocent gaat doodziek het podium op. ‘Ik dacht: nu heb ik wél wat te vertellen’

Kitty Trepels van Mil heeft geen tijd om dood te gaan, want ze moet binnenkort weer het theater in met een nieuwe solo. Voor ze kanker kreeg, durfde de theaterdocent het podium nooit op. Nu vertelt ze wat ze meemaakt als patiënt – met humor. Een gesprek aan de hand van vijf citaten.

Kitty Trepels van Mil durfde pas het theaterpodium op na haar diagnose kanker. 'Ik dacht: nu heb ik wél wat te vertellen.' Beeld Linelle Deunk
Kitty Trepels van Mil durfde pas het theaterpodium op na haar diagnose kanker. 'Ik dacht: nu heb ik wél wat te vertellen.'Beeld Linelle Deunk

Het is drie dagen voordat ze in het ziekenhuis te horen zal krijgen of de uitzaaiingen in haar rug en lever zijn gegroeid en of de pijn in haar heup op nieuw onheil duidt. Dan is er niets meer wat het monster nog kan stoppen, zegt Kitty Trepels van Mil (57). Dan gaat gebeuren waar ze al meer dan tien jaar rekening mee houdt.

‘Je gaat nog niet dood, ik heb nog wat’: het was de afgelopen jaren een gevleugelde uitdrukking van haar Nijmeegse oncoloog, die steeds opnieuw een middel uit de la wist te trekken om haar leven te verlengen. Maar nu is de la wel zo’n beetje leeg. Als de chemopillen die ze sinds begin dit jaar dagelijks slikt niet aanslaan, dan houdt het op. En dat kán dus helemaal niet, zegt ze meteen als ze de deur van haar appartement in Uden openzwaait. Want ze staat binnenkort met haar vierde solo weer in het theater.

Geen tijd om dood te gaan, want het verhaal is nog niet af: voor Trepels van Mil, docent communicatie en theater aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, komt de onontkoombare wending in haar leven toch echt te vroeg. Nooit durfde ze zelf het toneel op, terwijl ze dat zo graag wilde, want wat had zij nou te vertellen? Totdat er tien jaar geleden een agressieve tumor in haar borst werd ontdekt – veel te laat, door onachtzaamheid van haar huisarts. En toen was opeens haar verlegenheid weg. ‘Ik dacht: nu heb ik wél wat te vertellen. Misschien kunnen anderen leren van wat ik meemaak.’

Kaal hoofd

Zo nam ze haar theaterpubliek de afgelopen jaren mee op haar tocht door het ziekenhuis, langs lompe en liefdevolle artsen en verpleegkundigen, langs kankermutsjes, hersenbestralingen, tumormarkers en celgroeiremmers, maar ook langs de onvoorwaardelijke liefde van haar familie en de inzet van vrienden. Ze stond op het toneel met een kaal hoofd, zelfs vlak nadat ze te horen had gekregen dat ze uitzaaiingen had. ‘Het is een vorm van verzet’, zegt ze. Van haar publiek hoort ze dat ze verwoordt wat zich afspeelt in het hoofd van kankerpatiënten. Haar oncologen zaten altijd op de eerste rij.

Ze tikt de 155 chemokuren aan, haar behandeling moet al zo’n 2 miljoen euro hebben gekost, inclusief haar nieuwe borst van 20 duizend euro. Vanwege de ongewisse toekomst heeft ze in razend tempo een boek samengesteld, met daarin de scripts van haar vier solo’s en een voorschot op de vijfde, Waterval, waarin ze terugblikt op tien jaar kanker. Het zijn teksten die de lezer (de kijker in feite) een wereld intrekken die een op de drie Nederlanders ooit leert kennen.

Ze maakt zich zorgen over de uitslag van de scan, maar het gesprek verloopt er niet minder vrolijk door. Kanker, ja, maar er mag gelachen worden.

Een gesprek aan de hand van vijf citaten uit haar theatersolo’s.

‘Dus u bent docent theater en communicatie? Dan wil ik graag de regisseur zijn van dit ziekenhuistraject, maar u moet dan wél alle rollen willen spelen.’

‘Ik was doodsbang en defensief, maar met deze opmerking wist mijn eerste oncoloog me over te halen om me tóch te laten behandelen. Toen er vorig jaar vanwege de hersenbestraling een frame op mijn hoofd geschroefd moest worden, en ik een vergelijking maakte met The Silence of The Lambs en One Flew Over the Cuckoo’s Nest, bleek de radiotherapeut de hoofdrolspelers uit die films te kennen. Ik vind dat geweldig. Als artsen iets van zichzelf willen blootgeven, dan durf ik het aan. Als ik weet: dit is iemand uit mijn club, een club met gevoel voor humor en liefde voor cultuur, dan wordt zo’n loodzwaar traject een stuk lichter.

‘Dat is de les die ik artsen wil meegeven: geef patiënten even het gevoel dat zij het allerbelangrijkste voor je zijn, zoals ik op het podium de mensen in de zaal het idee probeer te geven dat ik alleen voor hen speel. Een goede dokter is de dokter die zich probeert in te leven in de patiënt tegenover zich. Mijn eerste oncoloog besloot ooit om naar voetbalwedstrijden te gaan kijken omdat een van zijn patiënten fan was van NEC.

‘En tegen patiënten zou ik willen zeggen: kijk niet op tegen je arts, want daardoor durf je misschien dingen niet te vragen of te zeggen. Communiceer, laat zien wie je bent, alleen dan kan een arts jou de beste behandeling geven.’

‘Een verpleegkundige had me aangemeld bij afdeling E30, beter bekend als de gifgang. Hier is mevrouw Trepels! Een aankondiging alsof ik van een showtrap moest afdalen.’

‘Ik kwam soms in zulke absurde situaties terecht, dat ik al heel snel dacht: dit moet ik gaan opschrijven. Zo zijn mijn theatersolo’s ontstaan, vol met relativerende humor. Voor mij is die humor het enige wat me overeind houdt, het is krankzinnig wat er in zo’n ziekenhuis gebeurt.

‘Hoe gemakkelijk ze bijvoorbeeld over een borstamputatie praten. Dan neem je toch gewoon een prothese? En dat zo’n verpleegkundige dan na de operatie een prop watten in je bh stopt en zegt: kijk, nu voel je je weer helemaal vrouw. Zo’n amputatie is toch een afschuwelijke verminking van een vrouwenlichaam?

‘Ik was altijd trots op mijn borsten, een borstamputatie was mijn grootste nachtmerrie. Dat ik zou doodgaan als ik die borst liet zitten, daar dacht ik niet over na. Nee, dat is niet zoals de meeste borstkankerpatiënten reageren. Ik heb respect voor vrouwen die met een borst kunnen leven, maar ik heb daar niet genoeg zelfvertrouwen voor. Ik heb ook nooit gezien dat mijn borst eraf was. Ik heb een jaar lang niet naar beneden gekeken, met mijn ogen dicht gedoucht.’

Lachend: ‘Een heel gedoe als ik de zeep liet vallen.’

‘Ze had een nieuwe kuur. Geen genezing, maar levensverlenging: drie tot vijf jaar. Voor optimisten een uitdaging. Voor mij voelde het als een gevangenisstraf.’

‘Levensverlenging is een soort dodencel, je zit erin en je weet niet wanneer de dodelijke injectie komt. Ik heb ervoor gekozen om toch een levensverlengende behandeling te aanvaarden. Dat deed ik voor mijn moeder. Zij verloor mijn vader aan longkanker toen hij 24 was, ik was net een jaar oud.

‘Ik ben blij met mijn keuze, ik heb de tijd creatief benut. Als ik dan toch leef, kan ik maar beter proberen iets te doen waar anderen wat aan kunnen hebben. Maar veel mensen om me heen vinden het vreemd: je gaat dood of je blijft leven, maar ik zit er tussenin. Ik merk het aan de reacties: Leef jij nog? Jij zou toch doodgaan? Je gaat je bijna verontschuldigen. Of: je ziet er anders prima uit, weet je zeker dat het een aflopende zaak is? Alsof ik sta te liegen.

‘Ik plan vooruit en dat zou heel goed een psychologisch effect kunnen hebben. Zolang ik steeds de horizon verleg, blijf ik fysiek ook langer overeind. Nu pas realiseer ik me dat mijn boek een naslagwerk is geworden, een soort handboek ongeneeslijk ziek zijn voor dummies. Met als basisregels: verzamel mensen om je heen die om je geven, verstop je niet zolang het fysiek nog gaat, toon je emoties. En wees een beetje lief voor de dokter, want die heeft ook gevoel.’

‘Mensen vragen weleens: wat heb je ervan geleerd, van de kanker? Niets, ik heb er totaal niets van geleerd. Ik heb er wel iets dóór geleerd.’

‘Als je kanker hebt, en je geen enkele rol meer kunt spelen, omdat de kanker én de behandeling al vermoeiend genoeg zijn, wat en wie zijn dan nog echt? Door mijn ziekte ben ik erachter gekomen dat sommige mensen een motief hebben om een vriendschap in stand te houden, dat er een agenda achter kan zitten. Dat had ik me nooit gerealiseerd. Er waren vrienden die me meedogenloos lieten vallen, maar ik heb er ook vrienden bij gekregen, vooral in de theaterwereld, en sommige vriendschappen hebben zich verdiept. Thijs van Leer kwam in het ziekenhuis dwarsfluit voor me spelen, singer-songwriter Maarten Peters zong op de boekpresentatie het nummer Hoop en toen ik kaal werd, kreeg ik van Liesbeth List een van haar pruiken.’

‘Ik verlaat het ziekenhuis en denk: het eenzaamste wat er is in een kankerbehandeling. Zelf al 100 procent zeker weten wat er aan de hand is, voordat de dokter de uitslag heeft.’

‘Ik heb altijd geweten dat ik kanker zou krijgen en eraan zou doodgaan. Mijn vader is eraan overleden. Mijn moeder kreeg vorig jaar voor de derde keer kanker, ze stierf drie weken na de diagnose. Haar dood raakt me meer dan mijn eigen ziekte. Mijn zusje heeft het gehad, tantes en ooms op jonge leeftijd, een genetische kwestie denk ik. Mijn angst laat ik zien, ik reageer vrij kinderlijk, ik huil, loop weg, roep dat ik ermee stop. Ik denk dat ze in het ziekenhuis best moeite met me hebben.

Een foto van Kitty's moeder. Beeld Linelle Deunk
Een foto van Kitty's moeder.Beeld Linelle Deunk

‘We hebben allemaal geleerd om onze emoties binnen te houden bij vreemde mensen. Ik zie het in het ziekenhuis, patiënten wachten tot ze buiten zijn en gaan daar dan staan huilen. Waarom mogen artsen dat niet zien?

‘Ik ben direct, ik ga dood en dat zeg ik gewoon. Veel mensen willen dat voor hun naasten niet weten, en ook artsen vinden het vaak nog een eng onderwerp. Voor doodgaan ben ik niet zo bang, wel voor wat daaraan voorafgaat. Ik moet nu gaan beslissen waar mijn grens ligt. De uitzaaiingen zitten ook in mijn rug, ik vrees voor een dwarslaesie. Dan moet de thuiszorg mij gaan helpen. Dat gaat niet gebeuren.

‘Ik heb al met mijn artsen over euthanasie gesproken. Ik heb gezegd dat ik dood wil als ik niet meer fulltime kan werken, maar dat vonden ze geen goed criterium. Ik ben gek op wielrennen, dus toen heb ik gezegd dat ik eruit wil stappen als ik geen 24 kilometer per uur meer haal. Vonden ze ook geen sterk argument. Nu heb ik de grens getrokken bij mijn onafhankelijkheid. Als ik mijn zelfstandigheid verlies, dan moet het afgelopen zijn.’

Tien dagen later een appje: ‘Ik lig op Menorca op de ic.’ Toen de scan had uitgewezen dat het monster zich nog koest hield, was ze afgereisd naar het eiland waar ze zo graag komt. Daar was ze na het zwemmen in elkaar gezakt: een epileptisch insult als gevolg van de uitzaaiingen in de hersenen. Ze was gered door haar zus en haar Spaanse vrienden, die ook nog eens drie dagen en nachten aan haar bed hadden gezeten. ‘Onvoorwaardelijke vriendschap, het bestaat.’

Ze had het niet erg gevonden om daar te sterven, zegt ze via de telefoon: pijnloos en zorgeloos, op haar favoriete plek. ‘Maar nu wil ik nu nog wel even door blijven leven. Ik moet het toneel nog op.’

Kitty Trepels van Mil staat op 29 september met haar solo Kreeft in theater Markant in Uden.

Meer over