The Stone Roses

Het zat erin dat de optredens in Europa openbare repetities werden. Dat klopte.

MENNO POT

Sommige concerten zijn op zo'n meeslepende manier slecht dat je ze niet had willen missen. Dat van de pas herenigde Stone Roses, dinsdag in de niet uitverkochte, goeddeels met Engelsen gevulde Amsterdamse Music Hall, viel in die categorie.

Wie de groep uit Manchester een beetje kent, hield al voorzichtig rekening met de mogelijkheid dat de reünieoptredens, na zestien jaar afwezigheid, belabberd zouden worden.

Rond 1990 viel het even allemaal op zijn plek voor The Stone Roses: een reeks briljante popliedjes, een onverwoestbaar debuutalbum vol gitaarpop-met-housegevoel, de doorbraak van de ravecultuur, de opkomende britpop, Madchester, wagonladingen ecstacy.

Maar een grootse liveband? Nee. In elk geval lang niet altijd.

Op het breukvlak van juni en juli zal de groep in Heaton Park in Manchester optreden voor 150 duizend fans in drie dagen tijd. Het zat erin dat de Europese optredens daaraan voorafgaand het karakter van openbare repetities zouden hebben.

Dat was dus ook zo. Bassist Mani speelde noest zijn partijen, maar drummer Reni leek het allemaal niet zo zeker te weten. Gitarist John Squire werkte daarom stoïcijns zijn eigen, vaak meeslepende programma af. Frontman Ian Brown beheerst de kunst om nummers achtereen met grote toonvastheid vals te zingen.

Die Brown, wat een figuur is dat toch. Als een goedmoedige neef van Liam Gallagher schudde hij met zijn twee stoktamboerijntjes die niemand hoorde. Vocaal startte hij nog redelijk, in de wat al te voorzichtig uitgevoerde klassieker I Wanna Be Adored, maar in de tweede helft van het optreden zat er geen zuivere noot meer bij.

Heel soms, zomaar ineens, grepen de tandwielen in elkaar en klopte alles: de tweede helft van de hit Fools Gold, waarin Squire virtuoos loos ging, of het euforische She Bangs The Drums.

Vaker speelde men langs elkaar heen en zat Brown er zo faliekant naast dat het op de lachspieren werkte. Dan zong hij bijvoorbeeld Don't Stop en dacht je: doe eigenlijk maar wel, Ian. Of neem Ten Storey Love Song: vastberaden vals, maar toch blijven rondlopen als een pauw, en napoleontisch op de verhoging van de drummer gaan staan, zo van 'juicht u maar'.

Geen band kan zo innemend slecht zijn als The Stone Roses en het was fijn te constateren dat liedjes als Waterfall werkelijk niet stuk kunnen, hoe hard de band het ook probeert.

Het klapstuk moest toen nog komen: Ian Brown die terugkeerde op het podium om te vertellen dat de toegift niet kon doorgaan, omdat de drummer het pand al had verlaten. 'Hij is weg. Geen geintje.'

Toen ging het zaallicht aan en zette iemand Redemption Song van Bob Marley op.

Music Hall.

Amsterdam, 12 juni.

undefined

Meer over