The Replacements opnieuw actueel

Gijsbert Kamer

Altijd goed nieuws een nieuw album van het Britse Art Brut, al was het maar vanwege de geweldige teksten die het beste van Jarvis Cocker en Half Man Half Biscuit in herinnering roepen. Art Brut vs Satan, dat volgende week verschijnt is een van de leukste Britpop platen in tijden. Een liedje in het bijzonde mijn aandacht trok heet The Replacements.

De tekst gaat als volgt:

I can't believe U just discovered The Replacements
How have I only just found out about The Replacements
Some of them are nearly as old as my parents
How have I only just found out about The Replacements

I Want to love them but I can't be sure
I've been let down so many times before
This time I really want to believe
Another record with my heart on the sleeve
I hope I finally found a band
That is not gonna let me down

Je zou bijna jaloers worden op Eddie Argos, dat hij 'nu pas' die fantastische rock 'n roll band uit Minneapolis heeft ontdekt. Want midden jaren tachtig maakten ze echt geweldige platen, die ook nu ze in prachtige nieuwe edities opnieuw op cd uit zijn, overeind zijn gebleven.

Ik heb overigens wel een vermoeden hoe Argos de band op het spoor is gekomen: via The Hold Steady met wie ze vorig jaar uitgebreid door de VS hebben getourd.

Zanger Craig Finn, afkomstig uit Minneapolis is een groot fan van The Replacements, zo laat hij ook een keer of zes weten in de docu A Positive Rage die bij de gelijknamige live-cd is ingesloten. Zonder The Replacements geen Hold Steady.

Finn moet Argos daarover verteld hebben, missionaris als hij is, en daarmee is er ook een Britse band van nu die gevallen is voor de rammelende, chaotische maar altijd uit het hart gebrachte rock 'n roll, en de poetische zegginskracht van de teksten van Paul Westerberg.

The Replacements kwamen behalve in de referenties van The Hold Steady ook terug bij die geweldige Gaslight Anthem, die hun Left Of The Dial coverde. En onlangs zette Justin Townes Earle een fraaie versie van I Can't Hardly Wait op zijn nieuwe (prachtige) plaat.

Misschien dat dit een begin is voor een herwaardering van de band, die indertijd met stadgenoten Hüsker Dü (en Prince natuurlijk) Minneapolis op de muzikale kaart zette. The Replacements waren toegankelijker en meer rock 'n roll dan de speedy-punk, naar hardcore neigende muziek van Hüsker Dü, en hadden het even in zich door te breken naar de mainstream.

Hun hele oeuvre is vorig jaar op Rhino opnieuw verschenen, alleen niet in Nederland. Ik heb ze stilaan in de VS en de UK bij elkaar gesprokkeld, en aangespoord door Art Brut heb ik me gisteren tot diep in de nacht in The Replacements verdiept.

Er is bijvoorbeeld een erg aanstekelijk boekje van Decemberists voorman Colin Meloy, in de 33,3 serie over het album Let It Be, en er is een aardige oral history van Jim Walsh: All Over But The Shouting waarin ook Craig Finn uitvoerig wordt geciteerd.

Het beste stuk over de band staat overigens in Michael Azerrads Our Band Could Be Your Life. Maar The Replacements moet je vooral horen. Begonnen als gruizig schreeuwpunkbandje vindt de band op Hooteanny (1983) een juiste vorm. Zanger Westerberg blijkt ook in staat wat meer introspectieve liedjes te kunnen schrijven.

De beste, meest beroemde, Replacements plaat heet Let It Be (1984). Dit was eigenlijk de plaat die de doorbraak naar een wat groter publiek moest initieren dankzij sterke singles als I Will Dare (met R.E.M.s Peter Buck op mandoline).

De Replacements werden wel getekend door een major, Sire. Maar Tim uit 1985 bracht de band geen hits. Wegens onberekenbaarheid werd een van de belangrijkste bandleden, gitarist Bob Stinson uit de band gezet, voordat hun een na beste plaat verschijnt, Pleased To Meet Me, met prachtliedjes als I Can't Hardly Wait en Alex Chilton.

Opnieuw blijven de successen uit, waar generatiegenoten R.E.M. wel doorbreekt. Westerbergs teksten groeien nog altijd, maar de angel is met het vertrek van de in 1995 aan drank etc overleden Stinson wel uit de muziek.

De twee laatste Replacements platen, Don't Tell A Soul (1989) en All Shook Up (1990) zijn vooral een voorproefje op het niet bijster spannende solowerk van Westerberg dat tot op de dag van vandaag verschijnt, zonder dat er veel aandacht aan wordt besteed.

Vooral in de periode 1984-1987 laat The Replacements een stel platen na dat wat mij betreft nog altijd overeind is gebleven. Westerberg kon heel rauw en geëmotioneerd zingen, met het hart op de tong. Bij hem heb je altijd het gevoel dat ie het meent, en meer dan dat, dat muziek maken menens is, en niet alleen een lolletje.

Daarmee is meteen het belangrijkste verschil met zijn fans uit The Hold Steady aangegeven. Dat blijven toch vooral pubrockers. Niet zo heel jonge jongens die het leuk vinden om op het podium een beetje lol te maken. Craig Finn zingt ook niet echt maar draagt zijn teksten snel-pratend voor. Ik had moeite hun live-album helemaal uit te zitten, terwijl ik ze juist live wel goed vond.

Ik ben benieuwd wat er gebeurt wanneer Finn wat liedjes van zijn helden in zijn repertoire zou opnemen, ik denk dat die er meteen in positieve zin uitspringen. Al is het maar de vraag of hij het kwa zingen aan kan.

Want echt, The Replacements was een bijzondere rock 'n roll band, en Westerberg een begenadigd zanger. Dat solowerk van hem doet me niet veel, maar voor Let It Be mag u me wakker maken.
Wow, wat is zo'm Sixteen Blue toch mooi. En wat ben ik jaloers op Eddie Argos dat hij dat nu kan ontdekken. Wat moet dat heerlijk zijn.

undefined

Meer over