The New Yorker is niet kapot te krijgen

Het weekblad The New Yorker gaat op in een groot mediaconglomeraat. Dat nieuws bracht een ouderwetse geruchtenstroom op gang. Maar ondanks alles zal het literaire icoon blijven bestaan....

DE redactieburelen herbergen een speciale kamer, waar ongevraagde (en ongelezen) manuscripten achteloos in een hoek worden gekieperd, zo gaat de mare.

Wie tot de kolommen van The New Yorker weet door te dringen, kan een aardig stukje schrijven. En dat is een waarheid.

Een weekblad gewijd aan ideeën. Tijdloos en direct, energiek en bedachtzaam, ernstig en grappig. Goed geschreven verhalen, standpunten met een dieper begrip van de wereld. Een mengeling van politieke en economische berichtgeving, sociaal commentaar, fictie, humor, kunst, dichtkunst en kritiek.

Op de reputatie van The New Yorker valt weinig af te dingen. Wie wel wat heeft aan te merken, doet dat wellicht uit snobisme. Want wat staat, zeker in New York, charmanter dan kankeren op een instituut dat kan overleven ondanks jarenlange gigantische verliezen?

De cijfers zijn bloedrood. Ook al beloofde hoofdredactrice Tina Brown in 1995 vol goede moed dat een jaar later winst zou worden gemaakt. Niemand die het haar kwalijk nam toen ze die gebroken belofte een jaar nadien herhaalde. Daarna hield ze haar mond.

Het boekjaar 1997 werd met een negatieve opbrengst van 11 miljoen dollar afgesloten. Dat is altijd nog stukken minder dan het tekort van 32 miljoen uit 1993, een jaar nadat de Britse ingezetene Brown na een geslaagde reddingsoperatie bij Vanity Fair naar het eerbiedwaardige magazine werd overgeheveld.

Zij werd kapitein op een stuurloos en zinkend schip, dat in 1925 de New Yorkse mediawateren in werd gedirigeerd door Dorothy Parker en Robert Benchley. Een eigenaardig literair tehuis voor de chronisch werkzoekende schrijver, zoals het liefkozend wordt genoemd in Here At The New Yorker, de memoires van staflid Brendan Gill.

Fictie en dichtkunst maakten van het tijdschrift meer een wekelijks uitkomend boek, waar grote Amerikaanse schrijvers hun eerste pennenvruchten kwijt konden. Een blad waar de eerste 63 jaar twee legendarische hoofdredacteuren, Harold Ross en William Shawn, de scepter zwaaiden, hetgeen de rechtlijnige koers zou onderstrepen.

Een kort en onbeduidend intermezzo van Robert Gottlieb daargelaten, werd Tina Brown het derde redactiehoofd. Zij werd verondersteld The New Yorker naar een veilige haven te loodsen, waar de toekomstige weg binnen een veranderende tijdschriftenwereld kon worden uitgestippeld.

Haar opdrachtgever was (en is) S.I. Newhouse. De mediamagnaat kocht het blad in 1985 voor 169 miljoen dollar. Forbes schat het persoonlijke bezit van Newhouse op 4,5 miljard dollar, dus een paar veren kon hij wel laten. Maar tientallen miljoenen dollars verlies werden ook hem te gortig.

Volgens sommigen was het blad halverwege de jaren tachtig in redactioneel opzicht uitgeput. Inspiratieloos geworden door de opkomst van concurrerende tijdschriften en een gewijzigde behoefte bij de lezer. Waar was de vermaarde buzz gebleven, de sprankelende hoogmoed die van The New Yorker een must-read maakte?

Brown had zich in New York bewezen door Vanity Fair nieuw leven in te blazen. Bij The New Yorker greep ze stapsgewijs in, op zoek naar wat zij 'levendige journalistiek' noemt. Schrijvers verdwenen, schrijvers kwamen. Volgens Brendan Gill, die in 1936 zijn eerste artikel publiceerde, produceert Brown 'een tijdschrift met de timing van een dagblad'.

Het aanvoelen van 'nieuws dat op doorbreken staat' is bij haar een natuurlijke gave. Uiterst waardevol ook, omdat een journalistiek verhaal waar in The New Yorker-traditie weken aan wordt gewerkt, gedrukt moet worden vóórdat de ochtendkranten er op hun voorpagina over berichten.

Gill: 'Tina's New Yorker is in zeker opzicht een roller-coaster, een Vegas-gok. Overal ongelijksoortigheden. Schrijvers en kunstenaars die Tina bewondert en die ik verschrikkelijk vind. Maar elke week stuit ik op iets onverwachts, dat zowel het praktisch nut als het genot van het nieuwe aantoont.'

Maar ja, die onstuitbare verliezen. De oplagecijfers verbeterden weliswaar met grote sprongen; een groei van 30 procent sinds 1992. In de tweede helft van afgelopen jaar gingen gemiddeld 48.655 nummers over de toonbank. De lezers waren het er in onderzoeken over eens. De schwung van weleer was teruggekeerd, zonder in te teren op kwaliteit.

De redactionele staf is praktisch in zijn geheel gereorganiseerd met dertig nieuwe schrijvers, twaalf redacteuren en een nieuwe afdeling fotografie met de gevestigde Richard Avedon aan het hoofd. Geregeld worden erkende auteurs als Martin Amis en Gore Vidal met een opdracht aan het werk gezet.

Een nieuwe verandering staat op stapel. Begin volgend jaar valt The New Yorker onder de paraplu van Condé Nast Publications, zo werd afgelopen maand bekend gemaakt. Daarmee zal aan de jarenlange onafhankelijkheid een einde komen. Een zakelijk voordeel, wordt gezegd. Verkoop van advertenties wordt eenvoudiger en een lange adem is door de kapitaalkrachtigheid van het bedrijf gewaarborgd.

S.I. Newhouse, de grote baas, heeft geruchten over een mogelijk ontslag van Tina Brown ontzenuwd. 'Tina vormt het hart en de ziel van het blad. Bovendien is ze nog maar kort bezig. We hebben tijd genoeg.' The New Yorker, zo luidt zijn filosofie, is in wezen nog maar net gestart.

Tim Overdiek

Meer over