Analyse

Terwijl de boer zwoegt, verdienen grote bedrijven goud geld aan hun harde werk

Het gros van het geld dat wordt verdiend in de landbouw gaat naar bedrijven die om de boer heen cirkelen: handelaren in veevoer, slachterijen, producenten van kunstmest en pesticiden. Deze vaak grote ondernemingen lobbyen voor behoud van het huidige landbouwsysteem, want dat is hun verdienmodel.

Mac van Dinther
null Beeld Arie Kievit
Beeld Arie Kievit

Misschien heeft u vandaag nog een pak melk gekocht in de supermarkt. Heeft u zich wel eens afgevraagd hoeveel van de winst op een liter melk bij de boer terechtkomt? 10 cent wellicht? Of 5?

Mis: een melkveehouder mag al blij zijn als hij een paar centen overhoudt aan een liter melk na aftrek van al zijn kosten. Inclusief zijn eigen loonkosten, want een boer moet ook leven. En dat heeft hij dan nog grotendeels te danken aan EU-subsidies. Er zijn jaren dat boeren verlies draaien en dus loon inleveren op de productie van een liter melk.

Voor de meeste andere landbouwproducten is het niet veel anders. Op een kilo aardappelen die de consument in de winkel koopt, vangt de boer grofweg een dubbeltje winst, voor uien is dat gemiddeld 3 cent, voor varkensvlees 16 cent. Het zijn benaderingen, want landbouwprijzen variëren enorm door de jaren heen.

Natuurlijk nemen supermarkten een flinke hap uit de winkelprijs voor hun eigen kosten (en winst): een kwart tot de helft ongeveer, afhankelijk van het product. Boeren klagen daar vaak over. Maar het zijn niet alleen de supermarkten.

Rond boeren is een netwerk gespannen van bedrijven en instellingen die een graantje meepikken uit de ruif: banken, verzekeraars, slachterijen, transporteurs, handelaren in veevoer, leveranciers van kunstmest en pesticiden, verkopers van landbouwmachines. Niet voor niets wordt wel eens gezegd: boeren hébben geen verdienmodel, boeren zíjn een verdienmodel.

Grote gevestigde belangen

Voor de boer is het lood om oud ijzer. Of hij door de hond of de kat wordt gebeten: dat geld is hij kwijt. Maar voor de inrichting van ons landbouwsysteem en mogelijke veranderingen daarin maakt het wel veel uit wie in de keten wat krijgt.

Supermarkten is het in principe om het even of zij melk van de koe of van soja verkopen, gangbare bloemkool of biologische, een pond varkensvlees of een pakje vleesvervangers. Albert Heijn en Jumbo kunnen overal hun winstmarges op zetten.

Dat geldt niet voor alle bedrijven in de agrarische sector. Minder koeien betekent dat zuivelbedrijven minder melk te verwerken hebben. Minder varkens en kippen op stal levert verlies aan werk en inkomsten op voor veetransporteurs, slachterijen en vleesverwerkers. Meer biologische landbouw leidt tot lagere omzetten voor verkopers van kunstmest en pesticiden.

Bedrijven als deze hebben grote gevestigde belangen bij het systeem zoals het nu draait. En ze zijn niet van plan die zonder slag of stoot op te geven.

Dan gaat het niet om kleine jongens, maar over grote bedrijven met miljardenomzetten en vertakkingen in binnen- en buitenland: chemiereuzen als Bayer en Syngenta die hun geld verdienen met zaaigoed en gewasbeschermingsmiddelen, zuivelgiganten als FrieslandCampina en grote veevoerbedrijven als ForFarmers en De Heus, belangrijke leveranciers van de (intensieve) veehouderij in Nederland.

Malieveld zal weer vollopen als beleid wordt omgezet in concrete maatregelen

Dat er veranderingen komen, staat wel vast. Om de stikstofuitstoot terug te dringen heeft het kabinet 7,5 miljard uitgetrokken voor de (gedwongen) uitkoop van veeboeren. Ronduit ambitieus zijn de doelstellingen die de Europese Commissie heeft afgekondigd in het kader van de Green Deal en de Farm to Fork strategie: in 2030 moet een kwart van alle landbouwgrond in de EU biologisch bewerkt worden, het gebruik van pesticiden moet in dat jaar zijn gehalveerd.

Je hoeft geen helderziende te zijn om te voorspellen dat het Malieveld weer vol zal lopen met boze boeren als deze beleidsvoornemens worden omgezet in concrete maatregelen.

De ceo’s van grote agribusinessbedrijven zul je daar niet zien. Zij tonen hun macht niet met trekkers op het Malieveld, maar opereren vooral achter de schermen. Door lobbykantoren in te schakelen en de publiciteit te bespelen, door wetenschappelijk onderzoek te sturen en korte lijntjes te houden met de politiek.

Een voorbeeld: bij de formatie van het vorige kabinet (Rutte III) schoof Marc Calon, de toenmalige voorzitter van boerenorganisatie LTO Nederland, samen met de topmannen van de Rabobank en FrieslandCampina aan tafel bij formateur Rutte en de hoogste ambtenaar op landbouw om hun wensen met betrekking tot het landbouwbeleid te bespreken.

De landbouwlobbyisten vroegen onder meer om de terugkeer van een apart ministerie van Landbouw (dat viel sinds 2010 onder Economische Zaken), om het (export)belang van de sector te onderstrepen. Verder wilden zij in het regeerakkoord geen verwijzing naar de noodzaak om de veestapel in te krimpen. De drie spraken ook nog afzonderlijk met een stel hooggeplaatste CDA’ers.

Ze kregen wat ze wilden. ‘Wij hebben de formatie gewonnen’, jubelde Calon oktober 2018 in een interview op de website van Public Matters, een lobbykantoor. ‘90 procent van wat wij vroegen, staat in het akkoord.’

Nog een, iets recenter, voorbeeld: in een brief van 1 april aan de Tweede Kamer over de stikstofplannen van het huidige kabinet schrijft minister voor Natuur en Stikstof Christianne van der Wal dat zij bij de uitwerking van haar plannen graag gebruikmaakt van het advies van ‘kwartiermaker’ Ruud Tijssens over innovatieve stalsystemen (die minder uitstoot veroorzaken) en hoogwaardige mestverwerking. Tijssens is directeur Corporate Affairs van Agrifirm, een bedrijf dat vorig jaar 2,4 miljard euro omzette met de verkoop van diervoeders, zaaizaad, meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen. Dat Tijssens voor Agrifirm werkt, staat in de brief nergens vermeld.

Agrocomplex

Alle bedrijven die actief zijn binnen de agrarische sector worden samen het agrocomplex genoemd. Dat is dus zonder de supermarkten. In 2019 – het recentste jaar waarover cijfers beschikbaar zijn – was de toegevoegde waarde van het agrocomplex aan de Nederlandse economie 56 miljard euro, bijna 7 procent van het bruto binnenlands product (bbp).

Een flink deel van die omzet, zo’n 23 miljard, werd gemaakt met het verwerken van geïmporteerde landbouwproducten zoals cacao, soja en tabak. De toegevoegde waarde van het agrocomplex, gebaseerd op de productie van alleen Nederlandse boeren, bedroeg dus 33 miljard euro.

Daarvan nemen boeren slechts een bescheiden deel voor hun rekening, iets minder dan eenderde. Maar dat cijfer verschilt sterk per sector. In de glastuinbouw bijvoorbeeld gaat een veel groter deel (twee derde) van de toegevoegde waarde naar boeren omdat paprika’s, komkommers en tomaten uit de kas zonder veel verwerking de winkel in kunnen.

In de intensieve veehouderij ligt dat heel anders. Daar nemen boeren slechts 14,5 procent van de totale omzet voor hun rekening. Voor melkveehouders ligt dat op 23,4 procent. Van de toegevoegde waarde in de intensieve veehouderij (varkens- en kippenboeren) gaat maar liefst ruim 70 procent naar voerleveranciers en verwerkers (slachterijen),ruim 14 procent is voor transport en distributie.

In de akkerbouw is het aandeel van de boeren in de totaalomzet nog geen kwart. De rest gaat naar leveranciers van zaden, gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen (28,8 procent), verwerkingsbedrijven (22,5 procent) en distributeurs (24,5 procent).

De grote bedrijven binnen het agrocomplex vormen clubs die hun belangen moeten behartigen. Zo waakt Meststoffen Nederland over de interesses van de kunstmestindustrie zoals grootproducent Yara in Sluiskil.

AgriNL, dat zich inzet voor het ‘veilig stellen van groene, gezonde en gewaardeerde voedselketens’, is een netwerk waarin naast landbouworganisatie LTO de grootste agribusinessbedrijven van Nederland zitten, zoals FrieslandCampina, de Rabobank, Agrifirm, vleesbedrijf Vion, pluimveeslachter Plukon en Cosun (de voormalige Suiker Unie), producent van plantaardige grondstoffen.

Voor de bedrijven in de diervoedersector die in 2019 bijna 12 miljoen ton veevoer omzetten is er de Nederlandse Vereniging Diervoederindustrie (Nevedi). De drie grootsten zijn De Heus, ForFarmers en Agrifirm die 65 procent van de markt bedienen.

De belangenbehartiger voor de vleessector, met name slachterijen, is het COV (Centraal Orgaan Vleessector). In de wereld van het vlees brak onlangs grote onrust uit toen minister van Landbouw Henk Staghouwer (Christen Unie) een onderzoek aankondigde naar de mogelijkheden voor het heffen van een vleestax.

Staghouwer haastte zich de gemoederen te bedaren. In een interview met Elseviers Weekblad in april beweerde de minister dat hij ‘verkeerd was begrepen’ en noemde hij plannen voor een vleestax ‘allemaal onzin’. ‘Vlees alleen voor de rijken? Nee! Kom op, zeg.’

Precies hetzelfde argument als de ‘Vleescoalitie’ gebruikte in een persbericht waarin vleesbelasting een ‘onzalig en contraproductief idee’ werd genoemd. Want: ‘Een vleesbelasting raakt met name de lagere inkomensgroepen.’ De Vleescoalitie is een samenwerkingsverband waarin onder andere het COV en de Nevedi zijn vertegenwoordigd.

Daarbij wordt gemakshalve verzwegen dat Nederlandse burgers de milieukosten van vlees – voor maatregelen tegen klimaatopwarming, herstel van biodiversiteit en natuur – nu ook al betalen. Die uitgaven worden bekostigd uit algemene middelen zoals belastingen en heffingen waar iederéén aan meebetaalt, lage inkomens en niet-vleeseters incluis. Vlees ís al duur, alleen zien we dat niet terug in de winkelprijs.

Twijfelbrigade

Britse wetenschappers onderzochten onlangs hoe de vleesindustrie in Groot-Brittannië haar belangen probeert te verdedigen. Daarbij past zij dezelfde strategieën toe als de tabakslobby jarenlang hanteerde: twijfel zaaien over wetenschappelijk onderzoek, schadelijke effecten wegwuiven, benadrukken dat veel nog openstaat voor discussie. En dat in de tussentijd niemand zich zorgen hoeft te maken.

In Nederland gebeurt dat ook. Zo staat op de website van het COV te lezen dat de impact van vleesconsumptie op het klimaat ‘zeer beperkt’ is. In werkelijkheid is de vleesindustrie volgens internationaal onderzoek wereldwijd verantwoordelijk voor 14,5 procent van de door de mensen veroorzaakte uitstoot van broeikasgassen en daarmee een van de belangrijkste oorzaken van de klimaatopwarming.

Verder wordt gesteld dat vlees ‘onmisbare vitamines’ bevat. Wat hoogstens half waar is. Vegetariërs en veganisten laten zien dat iemand zonder vlees te eten heel gezond oud kan worden. De meeste westerse consumenten eten meer vlees dan gezond is.

- Beeld Alexandra España
-Beeld Alexandra España

Tenslotte wordt beweerd dat de klimaatimpact van kip en varkensvlees gelijk is aan die van tofu (bron: de Telegraaf). Volgens de website van onafhankelijk voorlichtingsbureau Milieu Centraal is de CO2-uitstoot van een kilo kip of varken ongeveer twee keer zo hoog als die van tofu.

Het zijn voorbeelden van desinformatie die als enig doel hebben twijfel en verwarring te zaaien, zegt Jeroen Candel, bestuurskundige aan de universiteit van Wageningen (WUR), gespecialiseerd in landbouw- en voedselbeleid. We kennen het al uit het klimaatdebat, aldus Candel. ‘Nu zien we het in het landbouwdebat ook opkomen.’

‘Op sociale media word je om de oren geslagen met onderzoeken die wetenschappelijk heel dun zijn. Het is vaak werk dat nooit wordt gepubliceerd en niet door vakgenoten is beoordeeld. Maar voor een leek is dat moeilijk te onderscheiden. Daarmee wordt desinformatie het politieke debat ingebracht. Die studies worden ingezet als een politiek wapen om het beleid te ondergraven.’

Agrifacts

Een organisatie die speciaal voor dat doel lijkt opgericht, is de Stichting Agrifacts (STAF). Die presenteert zich als een journalistiek onderzoekscollectief, maar werpt zich vooral op als voorvechter van de gangbare landbouw.

Daarbij gaat de stichting assertief te werk. Zo dreigt Agrifacts geregeld met rechtszaken tegen politici, journalisten en instanties die onjuiste informatie zouden verspreiden.

Onderzoeksplatform Follow the Money onthulde twee jaar geleden dat waterbedrijf Vitens een advies aan klanten om minder vlees te eten (omdat bij de productie van vlees veel water wordt gebruikt) van zijn website haalde nadat Agrifacts had gedreigd met juridische stappen. Vitens zwichtte; niet omdat wat het waterbedrijf beweerde onwaar was, maar omdat het ‘verwarring’ zou kunnen veroorzaken.

Op de eigen website doet Agrifacts nogal mistig over haar financiering. De stichting wordt bekostigd door giften, zoveel is duidelijk. Maar: ‘STAF doet geen enkele mededeling over haar donateurs.’

Maar de site Boerenbusiness wist onlangs te melden dat Agrifacts de komende drie jaar 225 duizend euro krijgt van drie grote agro-concerns: veevoederfabrikant De Heus, kalverslachterij VanDrie Group en zuivelproducent Royal A-ware. Tot de donateurs behoort eveneens veevoederfabrikant ForFarmers, dat ook de boerenprotesten financieel ondersteunde.

Clubs als Agrifacts worden ook wel de ‘twijfelbrigade’ genoemd, zegt Franciska de Vries, hoogleraar aardwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam die het regelmatig met ze aan de stok heeft. ‘Ze gebruiken desinformatie als wapen. En hebben een duidelijke agenda: claims die niet positief zijn voor de landbouw factchecken.’

Daarbij wordt gebruikgemaakt van een beproefde tactiek, zegt De Vries. ‘Ze nemen kleine stukjes informatie die op zich waar zijn. Die blazen ze op tot buiten de context en zaaien daarmee twijfels over alles.’ De bewering dat stikstof een essentiële voedingsstof is voor planten, is daar een voorbeeld van. Dat is op zichzelf waar, beaamt De Vries. Maar een overmaat aan stikstof is juist weer slecht.

Een andere bewering is dat de bodem zelf een enorme bron is van stikstof en dat de effecten van uitstoot door de landbouw worden overschat. Het klopt dat de bodem vol stikstof zit, zegt De Vries die deze claim uitgebreid van repliek diende. ‘Maar die stikstof is niet beschikbaar en wordt grotendeels hergebruikt door planten.’

Een argument dat vaak terugkomt, ook in serieuze media, is dat het stikstofprobleem een typisch Nederlandse uitvinding is en ophoudt bij de grens, zegt WUR-onderzoeker Candel. ‘Wat absoluut niet zo is. In Vlaanderen en Bretagne hebben ze dezelfde problemen. Maar in Nederland is de milieudruk het hoogst omdat wij nou eenmaal de grootste veedichtheid van Europa hebben.’

Het probleem met dit soort beweringen is dat twijfel gemakkelijk is gezaaid, benadrukt De Vries. ‘Wil je dat weerleggen, dan moet je met bronnen en bewijzen komen. Ik heb er bijna een dagtaak aan.’ Bovendien: boude beweringen worden grif rondgepompt op sociale media. ‘Debunks krijgen veel minder aandacht. Dat is vechten tegen de bierkaai.’

Ondertussen is het wel effectief, erkent Tweede Kamerlid Tjeerd de Groot, woordvoerder landbouw van D66. ‘Die stelselmatige ontkenning van feiten gooit voortdurend zand in de machine, waardoor wij als politiek ongelofelijk veel tijd kwijt zijn met dit soort onzin. En niet toekomen aan de echt belangrijke zaken.’

Dat is helemaal zo sinds de landbouwlobby een eigen vertegenwoordiger heeft in het parlement in de persoon van Caroline van der Plas van de Boer Burger Beweging (BBB). Voor ze Kamerlid werd, was Van der Plas chef-redacteur van Pig Business en Pluimveeweb, twee agrarische vakbladen.

‘Vaak zie je een een-tweetje’, zegt De Groot. ‘Als Agrifacts iets heeft gevonden, hoor je het via de BBB meteen terug in het debat.’ De Groot kreeg begin dit jaar een brief van een advocaat waarin werd geëist dat hij een tweet over Agrifacts waarin hij de hashtags #twijfelbrigade en #nepnieuws opnam, zou rectificeren. Anders zouden ‘rechtsmaatregelen’ volgen. ‘Pure intimidatie’, aldus het D66-Kamerlid.

Wetenschap

In het politieke debat hoort de wetenschap het bastion te zijn van objectieve kennis. Maar ook die is niet immuun voor lobby. Louise Fresco, scheidend voorzitter van de raad van bestuur van de WUR, een van de belangrijkste landbouwuniversiteiten ter wereld, bekleedt een nevenfunctie bij landbouwchemiegigant Syngenta.

Voor ze bij de WUR kwam, bekleedde Fresco functies bij de Rabobank en Unilever. FrieslandCampina heeft een eigen onderzoekscentrum op de campus van de WUR.

Onderzoekers van deze universiteit kwamen kort geleden in opspraak toen zij een onderzoek uitvoerden in opdracht van CropLife, de internationale belangenorganisatie voor multinationals in landbouwchemie zoals Bayer, Basf en Syngenta.

Het Brusselse onderzoekscollectief Corporate Europe Observatory (CEO) publiceerde afgelopen maart het rapport A loud lobby for a silent spring, waarin uit de doeken wordt gedaan hoe CropLife en andere lobbyisten vorig jaar een grootscheepse campagne op touw zetten tegen de doelen van de Green Deal, zoals het halveren van het gebruik van pesticiden in 2030.

Met verwijzingen naar de covidpandemie en de oorlog in Oekraïne hamert de lobbyclub op het belang van voedselzekerheid voor Europa. Die is volgens CropLife gebaat bij de inzet van kunstmest en pesticiden, want zij leveren de boeren een hogere opbrengst op.

Om hun argumenten kracht bij te zetten, ‘bestelden’ de lobbyclubs vijf onderzoeken bij verschillende internationale universiteiten. CropLife gaf een onderzoeksopdracht aan Wageningen Economic Research, een onderdeel van de WUR.

De resultaten daarvan werden vorig jaar gepubliceerd: ‘Landbouwopbrengst lager door Green Deal’, was de kop boven een samenvatting van het onderzoek. Uitvoering van de plannen van eurocommissaris Frans Timmermans zou volgens de Wageningse onderzoekers leiden tot een productiedaling in de landbouw van 10 tot 20 procent, hogere voedselprijzen en kwaliteitsproblemen.

Wat de onderzoekers níet hadden onderzocht was het effect van de Green Deal op de biodiversiteit en de natuur in Europa. Want daar hadden de opdrachtgevers niet om gevraagd. Terwijl dat juist de voornaamste doelstelling is van de Green Deal.

In reactie op vragen van CEO stelde de WUR dat het onderzoeken van de milieudoelen van de Green Deal ‘ongelukkigerwijze’ buiten de ‘scope’ (reikwijdte) van het onderzoek lag. Verder is het volgens de universiteit aan de opdrachtgevers om te bepalen hoe zij met de resultaten van hun onderzoek omgaan. ‘Daar hebben wij geen invloed op.’

De Wageningse onderzoekers presenteerden hun resultaten op een lobbyevenement van onder andere CropLife. Op de vraag van CEO of dat onderdeel was van de opdracht, antwoordde de WUR ontkennend. Het is volgens de universiteit wel gebruikelijk dat onderzoekers hun resultaten presenteren aan de opdrachtgever. In dit geval vond CropLife het ‘nuttig’ als dat gebeurde op een lobby-evenement.

WUR-onderzoeker Candel wil nadrukkelijk niet ingaan op het werk van zijn collega’s. Wel benadrukt hij in zijn algemeenheid dat de wetenschap er alles aan moet doen om haar objectiviteit te bewaken. ‘Anders wordt wetenschap onderdeel van de lobby.’

Er is niets tegen onderzoek dat gefinancierd wordt door private partijen, betoogt Candel. ‘Op het overheidsbudget voor onderzoek wordt al jaren bezuinigd. Veel wetenschappers zijn daartoe gedwongen. Maar je moet daar transparant en zuiver in zijn. Dat houdt onder meer in dat opdrachtgevers het onderzoek niet sturen en de vraagstelling beïnvloeden. Als onderzoeker moet je je wetenschappelijke onafhankelijkheid altijd waarborgen.’

Het Groene Front

Nederland heeft altijd een sterke landbouwlobby gehad, van oudsher bekend als ‘het Groene Front’. Maar die richt zich niet zozeer op parlementariërs, zegt D66-Kamerlid De Groot. Eerder op het ministerie van Landbouw. ‘Elke lobbyist weet dat je daar moet zijn.’

Onderzoeksjournalisten van Investico onthulden twee jaar geleden al dat de Rabobank meeschreef aan een subsidieregeling van het ministerie voor sanering van de varkenshouderij. De Rabobank, de grootste financier van de Nederlandse boeren, heeft miljarden aan leningen uitstaan in deze sector. Met de subsidie zouden boeren hun leningen kunnen aflossen.

‘Mij viel op dat tijdens de stikstofcrisis grote bedrijven op de stoep van het ministerie zaten’, zegt GroenLinks-Kamerlid Laura Bromet. ‘Natuurorganisaties werden buiten gehouden. Terwijl het toch om de natuur gaat.’

Bromet werd een half jaar geleden uitgenodigd voor een bijeenkomst op het ministerie van Landbouw. ‘Daar zaten alle grote bedrijven aan tafel. Thema was hoe politiek en bedrijfsleven beter naar elkaar kunnen luisteren. Want daar is deze sector een ster in: doen alsof ze niet worden gehoord.’

De werkelijkheid is anders, zegt Bromet. Ze noemt als voorbeeld de Kamermotie tegen het gebruik van glyfosaat waarmee de plantengroei in het voorjaar dood wordt gespoten voordat de akkers opnieuw worden ingezaaid: de bekende oranje velden.

De Tweede Kamer nam tot twee keer toe een motie aan, in 2018 en 2019, om het gebruik van dit verdelgingsmiddel te verbieden. ‘Maar de minister weigert dat uit te voeren. Ik weet zeker dat de industrie daar achter zit.’

Volgens het ministerie kan het verbod juridisch niet worden opgelegd, zegt D66’er De Groot, initiatiefnemer van de motie. ‘Ik heb een advocaat in de arm genomen die zegt dat het wel kan. Maar het ministerie doet daar niets mee. Of daar de industrie achter zit? Dat durf ik niet te zeggen.’

Wat veel vaker voorkomt, zegt Bromet, is dat ‘erfbetreders’, vertegenwoordigers van bedrijven, bij boeren op bezoek gaan om ze te overtuigen van het nut van bepaalde middelen. Want als een boer protesteert tegen een verbod op bepaalde pesticiden klinkt dat veel sympathieker dan wanneer een verkoper van die middelen dat doet. ‘Boeren zijn knuffelbaarder.’

Lobby in Brussel

Maar nergens is de macht van de lobby zo groot als in Brussel waar honderden miljarden aan landbouwsubsidies worden verdeeld en belangrijke besluiten worden genomen over de toekomst van de Europese landbouw.

In de Belgische hoofdstad zijn duizenden lobbyisten actief op alle terreinen. Driekwart werkt voor de industrie, en binnen die driekwart is de agro-industrie lobby een van de grootste, zegt de Nederlandse Nina Holland, die voor Corporate Europe Observatory (CEO) dit onderwerp al sinds 2009 volgt. CEO is een kleine non-profitorganisatie die wordt gesponsord door giften van particulieren en ideële stichtingen: bijna 933 duizend euro vorig jaar.

Dat valt in het niet bij de bedragen die grote bedrijven spenderen. Chemiebedrijf Bayer gaf volgens eigen opgave alleen al vorig jaar bijna 7 miljoen euro uit aan lobbyactiviteiten. Monsanto stak 14,5 miljoen euro in een campagne tegen het verbod op onkruidbestrijdingsmiddel glyfosaat. ‘Dat was nog maar voor het werk van één lobbykantoor’, zegt Holland. De werkelijke bedragen zijn volgens haar nog hoger. ‘Bedrijven geven lang niet alles op.’

De EU-landbouwpolitiek wordt beheerst door een bastion van landbouwministers, boerenorganisaties en de landbouwcommissie van het Europees Parlement waarin christen-democraten nog altijd de dienst uitmaken. Spil in het lobbynetwerk is de machtige landbouworganisatie Copa Cogeca, waarin naast boeren ook agrarische bedrijven zijn vertegenwoordigd.

Die onderhoudt nauwe banden met lobbyclubs uit de chemische en pesticiden-industrie, zegt Holland. ‘Dat is allemaal heel strak gecoördineerd.’ Ze zitten in Brussel ook vlak bij elkaar.

In dat bolwerk kwam een barstje toen eurocommissaris Timmermans in 2020 zijn Green Deal verkondigde, met als onderdeel de Farm to Fork-strategie voor de landbouw. Die bevat ambitieuze doelstellingen: de helft minder pesticiden en 20 procent minder kunstmest in 2030, een kwart van de Europese landbouwgrond biologisch in 2030.

‘Dat is een aanslag op winsten van de industrie’, zegt Holland. ‘Die is daardoor in het defensief gedrongen, maar probeert het verloren terrein nu terug te veroveren.’ Want het afkondigen van plannen is één ding, die omzetten in regelgeving voor alle EU-landen is een achtbaan die alle kanten kan opgaan.

De tactiek die de industrie gebruikt is angst aanjagen, signaleert Holland. ‘Dreigen met verlies van banen, minder productie, hogere voedselprijzen.’ Daarbij wordt dankbaar gebruikgemaakt van de oorlog in Oekraïne, een belangrijke landbouwexporteur: sindsdien hamert de lobby vooral op het belang van voedselzekerheid voor Europa.

Erik Fyrwald, de ceo van Syngenta, zei in interviews aan internationale kranten dat Europa af moet van de ‘gekkigheid’ van biologische landbouw. Biologische akkers brengen volgens Fyrwald de helft minder op dan gangbare akkers waarop wel kunstmest en pesticiden worden gebruikt. ‘Mensen in Afrika sterven van de honger omdat wij in Europa biologisch willen eten.’

‘Dat is het verhaal dat nu rondgaat’, zegt Holland. ‘Farm to Fork is nice to have. Maar nu even niet.’ Die lobby werpt zijn eerste vruchten al af. Eurocommissaris Timmermans zou afgelopen maart een belangrijk voorstel presenteren voor de nieuwe pesticidenmaatregel. Dat is uitgesteld vanwege de Oekraïne-oorlog.

Wat vervolgens gebeurt is typisch Brussels, zegt Holland. ‘Er is nu een speciale Expert Groep opgericht om een antwoord te geven op de voedselzekerheidscrisis. En wie zitten daar in? Vooral alle grote vertegenwoordigers van de agro-industrie.’ Timmermans is een eurocommissaris met macht, benadrukt Holland. ‘Maar hij moet nu vechten voor zijn Green Deal.’

Hebben de boeren er baat bij?

De vraag na dit alles is: schieten boeren er zelf wat mee op? Hebben zij baat bij de lobby van de agro-industrie, of komt die alleen op voor haar eigen belangen waarbij ze de boer als uithangbord gebruikt? Dat ligt eraan aan wie je het vraagt, zegt WUR-wetenschapper Candel. Want ‘de boer’ bestaat niet.

‘Er zijn grote onderlinge verschillen. Veel problemen concentreren zich in de intensieve veehouderij. Dat deel van de boeren heeft veel te verliezen bij een omslag naar minder vee en meer plantaardige productie. Dat roept weerstand op.’

Zij worden daarin gesteund door grote bedrijven die veel geld verdienen aan die sector. ‘Die partijen hebben baat bij de status quo. Zij hebben er alle belang bij dat transitieproces te vertragen en te belemmeren. Want hoe langer ze eraan kunnen verdienen, hoe beter het voor hen is.’

Uiteindelijk is een transitie naar een duurzamere landbouw onafwendbaar, denkt Candel. ‘Milieuvraagstukken zoals de klimaatopwarming, het verlies aan biodiversiteit en droogte zijn ook een bedreiging voor de landbouw. Dus die heeft er zelf alle belang bij om die omslag te maken. Dat is niet leuk, gedragsverandering is moeilijk. Boeren moeten daarbij geholpen worden. Maar ik denk dat het een schijntegenstelling is om boeren tegenover de natuur en het klimaat te plaatsen.’

De ‘olifant in de kamer’ is volgens Candel het verdienmodel van boeren. Boereninkomens staan al jaren onder druk. ‘Boeren verdienen zo weinig omdat er een gigantische overproductie is waardoor de prijzen laag zijn. De voedingsindustrie heeft baat bij lage prijzen voor hun grondstoffen. Als je kijkt naar de reële melkprijzen: die zijn de afgelopen decennia nauwelijks gestegen. Of dat goed uitpakt voor de boer is nog maar de vraag. We moeten toe naar een model waarin boeren ook bij lagere productie een goede boterham kunnen verdienen.’

De cijfers spreken voor zich: Nederlandse boeren zijn binnen het huidige systeem slechts een radertje in het netwerk van grote bedrijven, die er het meest aan verdienen en boeren als schild gebruiken om hun eigen belangen te beschermen.

Of de boeren daar zelf bij gebaat zijn? ‘Absoluut niet’, zegt D66-woordvoerder De Groot. ‘De Nederlandse landbouw drijft op hoge inputs van eindige grondstoffen zoals kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen. De boer is volstrekt afhankelijk van partijen die die inputs verkopen. Het is een failliet verdienmodel. Vooral voor de boer.’

Dit artikel is tot stand gekomen in samenwerking met Serena Frijters

Voor de cijfers over de Nederlandse landbouw in dit stuk is gebruikgemaakt gegevens van Wageningen Economic Research.