Terugblik op de baanbrekers van de Pop Art in Rotterdam Een stad waarin niets en tegelijk ook alles kon

Zo groots en meeslepend als de moderne kunst ooit in Parijs, New York, Berlijn en ook Amsterdam haar plek heeft veroverd, zo klein en overzichtelijk is die strijd in Rotterdam geweest....

Van onze verslaggever

Wim de Jong

ROTTERDAM

In Rotterdamse beeldende-kunstkringen bestaat nog steeds de mythe dat de snelle veranderingen die de kunst daar indertijd doormaakte in zijn geheel op het conto van de Pop Art kunnen worden geschreven. Sterker nog: dat Rotterdam een Nederlands bruggehoofd zou zijn geweest van op Amerikaanse leest geschoeide Pop Art. Kunsthistorica Gepke Bouma stelt in Van Amen tot Zekveld echter dat die stroming een relatieve korte bloeiperiode in de stad kende. Zij was was 'de entkristal waarop de ontwikkelingen van een aantal kunstenaars zich vastzetten, gelijktijdig met de groei en de professionalisering van de culturele infrastructuur'.

'Dat het juist de Pop Art was die in Rotterdam een vonk deed overslaan', schrijft Bouma, 'is moeilijk te omschrijven zonder clichés over Rotterdam te berde te brengen. In het verlengde van de gangbare overtuiging die aan de Rotterdammer nuchterheid, relativeringsvermogen en werklust toeschrijft, ligt het idee dat de Rotterdamse kunst gekenmerkt wordt door een hang naar het decoratieve, misleidende aandacht voor het oppervlak, ironie en sentimentaliteit. De schijnbaar weinig gecompliceerde stijl van de Pop Art sluit hierbij aan.'

Minstens zo belangrijk is het feit dat er eind jaren vijftig in Rotterdam geen sterke intellectuele en artistieke tradities bestonden. Aansluiting bij de vooroorlogse generatie was om allerlei reden ondenkbaar. Museum Boymans kon behalve voor de kennismaking met de oude meesters en de 'klassieke modernen' geen rol van betekenis spelen in de vorming van een nieuwe lichting kunstenaars, en ook het traditionalistische onderwijs op de lokale kunstacademie vermocht niet langer te inspireren. Er heerste eerder een dwarse, anti-artistieke en anti-intellectualistische houding, aldus Bouma. De jonge, flitsende en eigentijdse beeldtaal van Pop Art sloot aan bij die belevingswereld.

'Dat men in Rotterdam met genoegen en met een zekere nostalgie aan die jaren terugdenkt, wordt vermoedelijk ingegeven door het feit dat die ontwikkelingen een zekere heroïek hadden. Ze vonden plaats in Rotterdam, dat wil zeggen: tegen de aanvankelijk schrale achtergrond van een nog half braakliggende stad, met weinig middelen, zonder decor, zonder infrastructuur, in een stad waar het kunstenaarschap bepaald niet vanzelf sprak.'

In Van Amen tot Zekveld wordt uitvoerig aandacht besteed aan de hoofdrolspelers in die doorbraak en aan de kunst die ze toen maakten: Woody van Amen, Anna (Verwey-Verschuure), Toni Burgering, Mathieu Ficheroux, Wim Gijzen, Daan van Golden, Hans Hollenbach, Leendert Janzée, Jan van Munster, Gust Romijn, Hans Verwey en Jacob Zekveld. Installaties, sculpturen, schilderijen en grafiek van hun hand zijn te zien in Boymans. In het boek komende de nog levende leden van die bent zelf over die 'Wonder Years' aan bod in de interviews die schrijver Rien Vroegindeweij met ze maakte. Uit die gesprekken mag vooral nog eens blijken dat Rotterdam toen al, of juist toen, een stad was waarin niets en tegelijk ook alles kon.

'Mijn werk had een sterk ironische inslag', blikt Wim Gijzen terug. 'Dat is nog zo. Dat past ook wel bij de stad, bij de Rotterdamse mentaliteit, er was altijd een relativerende factor die werd gevoed door het bombardement, het besef dat het in tien minuten gebeurd kon zijn met een stad. Daar was je je als kind al van bewust. Je reed met de tram door een stad die er niet was, een grote kale vlakte. Dat maakte indruk.' Jacob Zekveld: 'Er was in Rotterdam helemaal niets, anderhalf café en een galerie, de rest had geen betekenis. Het was een verwoeste stad, en dat vond ik juist mooi, die vlakte, het gegeven dat daar huizen hadden gestaan gaf een verstomde stilte aan de omgeving die meer inherent was aan het leven dan de vrolijke praatjes die in de cafés hoorde. Daar werd je al vroeg meegeconfronteerd, dat nam je in je op.'

Het was Woody van Amen (1936) die het nieuwe geloof van de Pop Art in Rotterdam verkondigde, na een lange Amerika-reis in 1962. 'Pop Art was een openbaring', herinnert hij zich, 'het was nieuw, niet-academisch, een afspiegeling van de maatschappij om je heen en een stimulans voor een jong kunstenaar. (. . .) Dat ik in Amerika heb gezeten is zo belangrijk geweest, dat is de basis van alles. Ik had een enorme voorsprong.'

De verbreiding van de in Amerika, Japan (waarheen Daan van Golden reisde) en Frankrijk (Rotterdamse kunstenaars liften voor vijf gulden mee met de vleeswagen van het abattoir) opgedane nieuwe inzichten voltrok zich in kroegen, in ateliers en via de twee bescheiden instituten die de stad toen kende, de Rotterdamse Kunstkring en Kunstcentrum 't Venster. En er was journalist Jan Donia, die zich in De Havenloods ontpopte als medestander, animator en mede-ontwikkelaar van nieuwe kunst.

Door hun eigentijdse werkwijze duurde het niet lang voordat Rotterdamse kunstenaars werden opgenomen in het landelijke en internationale kunstcircuit. 'Aan het begin van de jaren zeventig vertraagde het tempo van de ontwikkelingen in de kunst enigzins', stelt Bouma in Van Amen tot Zekveld. De schijnbare samenhang in het werk van de twaalf Rotterdammse baanbrekers verdween rond die tijd, onder andere als gevolg van de conceptuele kunst. De 'wonderkinderen', zoals de gedreven Rotterdamse galeriehouder Hans Sonnenberg enkelen van hen ooit in een officiële uitnodiging had genoemd, waren een beetje meneren geworden. 'Ik leefde sterk met het besef dat ik de dertig niet zou halen', herinnerde Zekveld zich. 'Je leefde met het begrip einde in je en daardoor begreep ik de tijd, de mise en scène, het bij elkaar haspelen van dingen. Dat maakt je alert. En daarom had ik al snel succes, omdat ik de tijd begreep.

'Ik exposeerde bij Hans Sonnenberg in Galerie Delta. Verkocht aan het Stedelijke Museum in Amsterdam. En aan Orlof van Peter Stuyvesant. Kwam hier in de straat een Cadillac voorrijden, chauffeur met pet op en een keffend hondje naast zich. De hele buurt stond er omheen. Dat vond ik eigenlijk meer kunst dan het schilderij dat ik verkocht.'

The Wonder Years. Rotterdamse beeldende kunst in de jaren zestig. Tot en met 29 januari in Boymans van Beuningen. Van Amen tot Zekveld door Gepke Bouma en Rien Vroegindeweij. Stichting Kunstpublicaties Rotterdam, ¿ 49,50.

Meer over