Terug naar Mónosbél

Thuiskomen in je moederland. Terugkeren naar het land waar je ouders je hebben grootgebracht. Elk jaar gaat de familie Degryse-Pallaghy naar het Hongaarse dorpje Mónosbél, vlakbij Eger....

Vele uren hebben ze gereden, de klok rond, nagenoeg een volledig etmaal, door Duitsland, Oostenrijk en Hongarije, op weg naar een onooglijk klein plaatsje op de Hongaarse landkaart, niet veel groter dan een potloodstip, een dorpje waar normaliter geen of nauwelijks buitenlanders komen.

Elk jaar rijden ze er minstens een of twee keer naar toe - het is hun dorp, soms ook met Pasen of zelfs 's winters, wanneer over de Hongaarse poesta een dik pak sneeuw ligt.

'We zijn weer thuis', triomfeert de heer des huizes bij aankomst; hij, de trotse bezitter van een prachtig buitenhuisje met een kleine boomgaard in het Hongaarse dorpje Mónosbél (spreek uit: Móonosjbeel), op enkele tientallen kilometers van de Slowaakse grens. 'We gaan naar huis', zegt zij altijd, zijn Hongaarse vrouw, naar de plek 'waar we zijn gevallen', dicht bij de kerk en de klokkentoren, èn bij het dorpskerkhof dat grenst aan de tuin van hun kleine Hongaarse boerenhuisje.

Tobi, 'de olifant', hun labrador, ontwaakt langzaam en een beetje jankend, uit een met medicijnen afgedwongen vierentwintig-uren-slaap. 'We geven hem reispillen', verontschuldigt de gastheer zich. 'Het is een lange weg, helemaal terug naar Mónosbél.' Dochter Lilla verkent vervolgens, nog voor het uitpakken (de motorkap is nog warm), haar dorp, ongeveer drie straatjes groot. Ze gaat meteen op zoek naar haar Hongaarse vakantievriendje Józsi.

Het is een steeds terugkerend familieritueel, 'want we zijn weer thuis', bij Józsi, Judit, István en de anderen, tussen de perelaars en de frambozenstruiken, 'onder onze notelaar'. Ze hebben weliswaar een groot huis in België en een appartement in het Hongaarse Eger, 'maar thuis, dat is altijd Mónosbél', op een kwartiertje rijden van Eger.

Ongeveer zestien jaar geleden was filmmaker en tekenaar Luc Degryse (42) op zomerfilmcursus in Eger. Hij begreep toen nog geen woord Hongaars, een taal waar Hongaars-onkundigen geen touw aan kunnen vastknopen. Er is geen enkele gelijkenis met een beetje verstaanbare taal. Bij mennyibe kerül? (je spreekt het uit zoals je het schrijft) denkt geen Romaans of Germaans filoloog aan 'hoeveel kost dat?' en bij köszönöm is ook al veel verbeelding nodig om daar het eenvoudige 'dank u wel' in te kunnen herkennen.

En toch maken de Hongaren zich voor de buitenlander verstaanbaar. Hun zinnen spreken ze nadrukkelijk en langzaam uit, ze spellen de woorden, zodat je het beter kunt begrijpen. Men-ny-i-be ke-rül? Het is toch een wereldtaal, geen onbegrijpelijk of ontoegankelijk koeterwaals? En daarom ar-ti-cu-le-ren Hongaren hun zinnen en hun woorden, tegemoetkomend, traag en welklinkend.

Piroska Pallaghy (48), Piró, die toen nog talen doceerde aan het Lyceum van Eger, vertaalde. Het waren vermoedelijk zwoele dagen - Eger kent een streng continentaal klimaat - en de cursus werd een romance, zoals in die suikerzoete zomerschlager van de Vlaamse charmezanger Johan Stolz. 'Op verlof in Hongarije', zingt Stolz, 'in een dorp zonder hotel, kwam de liefde hem verblijden, speelde met zijn hart een spel'. En vervolgens met krakende maar welluidende stem: 'Een zigeuner uit de poesta, speelde zijn eentonig lied', Piroska, Piroska, 'kind van 't Magyarenland'.

Het waren toen nog twee koningskinderen, door taal en volksaard gescheiden. Het water was diep en in die tijd stond de Berlijnse Muur er nog. Zou hij terugkeren? Zou zij hem willen? Hij kwam terug en leerde de taal spreken, moeizaam maar goed, tussen de lakens en op het hoofdkussen.

Terug thuis, in dit geval zijn vroegere thuis, verlangde hij hevig en steeds heviger naar een winterfilmcursus. Elke dag schreef hij haar een brief, soms maar een regel tekst, en elke dag ging hij met zijn brief naar het postkantoor.

En Luc ging nogmaals naar Hongarije, en nog een keer, en een tijd later trouwden ze, uiteraard in Hongarije, en ze kregen een dochter, Lilla, kochten een hond, Tobi, een auto, een huis, een appartement in Eger en ook nog hun kleine buitenhuis met boomgaard en tuin in Mónosbél.

Hongarije werd zijn nieuwe thuis, hij Hongaar, althans hij spreekt nu de taal, alsof de Hongaarse ziel en de Hongaarse cultuur al jaren als een gesunkenes Kulturgut in hem sluimerden. Terug in eigen land, zijn vroegere moederland, koesterde hij heimwee naar zijn tweede vaderland. En op een winterse middag stonden hij en zij in het stadhuis van het Hongaarse Kecskemét, ze zeiden ja, en vervolgens werden de beide volksliederen tot klinken gebracht, zoals bij het WK-voetballen, en er werd champagne en palinka gedronken. En sindsdien gaan ze elk jaar naar huis, naar Mónosbél.

Paul Depondt

Woensdag in deel 2: Nonkeltje Seréndi.

Meer over