Terug naar IJzendijke

Er zijn historische kaarten waarop het Zeeuws-Vlaamse dorp IJzendijke niet voorkomt. Er zijn er ook waarop IJzendijke op een andere plek ligt....

De boot van Vlissingen naar Breskens. Doorfietsen in het ruim tot waar tot afstappen wordt gemaand. Dat mogen alleen ervaren passagiers die van Zeeuws-Vlaanderen komen. De lucht van brommers, de kleverigheid van de tafeltjes in de passagiersruimte en de vlekkerige ramen waardoor de bruine Westerschelde te zien is. Bekend terrein.

Reisdoel is het dorp IJzendijke. Zoeken naar herkenning op gezichten van zeventienjarigen. Niet dat dat logisch is. Zij hadden de luier nog aan toen ons gezin dit dorp verliet. Onder de huismoeders, bierbuiken en haastige mannen met stropdassen zitten mijn kennissen. De juffrouw van de drogist, de man van de bank, de groenteboer.

Een kamerreservering in een onbekend hotel: het oude postkantoor. Het vroegere dorpslogement was leuker geweest. Daar werden de huwelijksrecepties gegeven. Belgische jagers parkeerden er hun dikke Mercedessen voor. De kofferbak pocherig open, dode fazanten en in trossen bijeengebonden konijnen. Bloed en modder op de rubberlaarzen in de bak.

Er is geen concentratie nodig om de smalle fietsbrug van de boot af te rijden. Elke bocht zit nog in het geheugen. Ook het landschap is niet nieuw. Rokerige vuurranden op de akkers. De laatste resten koren worden afgefikt. De zon schijnt door de rookflarden. Een tractor ploegt de laatste voren. De polders zijn streng symmetrisch met strakke boomranden. Geschoren greppels. Zilverpopulieren. De hemel is zo hoog dat de wolken meer verticaal zijn dan horizontaal.

Stiekem langs het zwembad, de achterdeur van het dorp. Boerenverdriet, een kronkelend dijkje met knotwilgen. Zicht op IJzendijke, nog altijd met bomen omzoomd. De molen, de hoge toren van de rooms-katholieke kerk, het grijze bolletje van de Nederlands Hervormde kerk. Er zijn nieuwe boompjes gepland, met rubber riemen aan dikke houten palen. De oude bomen zijn verkocht.

Eerst naar het vroegere ouderlijk huis. Langs het kerkhof, over het stenen paadje. Daar waar wij, de randstedelingen, onbespoten groenten verbouwden in het kader van 'gezond leven van het land' staat nu een garage. De gevel van het huis is verveloos. De rest van de straat ziet er niet veel beter uit.

Een gapend gat waar een oud huis is afgebroken, borden met 'Te Koop' op andere huizen. Ook de huizen zonder zo'n bord zien er leeg en donker uit. Dat komt door de metalen rolgordijnen die iedereen gebruikt om zijn huis hermetisch af te sluiten. De oude gewoonte om houten luiken voor de ramen te hebben, is naadloos overgegaan tot de aluminiumschermen. De blik is nog steeds naar binnen gekeerd.

Nou ja, soms. Wapenfeit van IJzendijke: de voormalige koster annex bladenman zamelt al sinds jaar en dag tweedehands brillen in. 'We hebben nu 300 duizend Ghanezen aan een bril geholpen', lees ik in een op het raam van de oude kleuterschool geplakt krantenbericht.

Ik kreeg er les van zuster Gratiana. Ik loop om het gebouwtje heen. Een gebochelde man op veel te lange benen en met een hoornen bril die zo naar Ghana kan, staat me vorsend aan te kijken. 'Zoek je wat', vraagt hij. 'Nee hoor, even kijken', zeg ik. 'Even kijken', herhaalt hij achterdochtig. Moet ik het uitleggen? Als kind mocht je overal op en onder kruipen.

Ik ken IJzendijke, maar ik ken het ook niet. Ik zie opeens de mooie Vlaamse krulgeveltjes, glas-in-loodramen en oude gevelstenen. De half stadse, half boerse huizen; vierkantig met bakstenen vlakken en poorten. Alles is net een beetje te kaal voor echt mooi. Dat zag ik als kind niet. Alles was er gewoon, een gegeven.

Aan de overkant van de straat loopt de oud geworden slagerszoon. Hij steekt over om me nog beter te bekijken. Dat deed hij vroeger al. De deur van zijn huis staat open. Zijn bejaarde moeder staat in de opening. De slagerij is vorig jaar gesloten maar er liggen nog steeds zakjes gehaktmix op de toonbank.

Het begint te gieten van de regen. Een biertje in het dorpscafé. Kleverige vliegen. De barman - ik zie hem nog op zijn driewieler fietsen - hangt op een stoel. Klaagt over slechte zaken. De jeugd trekt weg en komt niet meer terug. Vroeger heette IJzendijke 'Klein Parijs'. Elke straat had zijn eigen kroeg.

De avond valt. Een grote V met ganzen vliegt gakkend over het dorp. Geluid van de herfst. De ganzen trekken over de katholieke kerk. De oude kerk is kapotgebombardeerd in de oorlog. Er staat een nieuw gebouw dat maar niet oud wil worden. IJzendijke heeft zwaar geleden onder de Tweede Wereldoorlog. Het lag precies op de frontlijn tussen de Duitsers en de geallieerden. Elke meter is bevochten.

IJzendijke is altijd front geweest. Dat begon al tijdens de Tachtigjarige Oorlog. De hertog van Parma stichtte het als fort IJzendijke. Prins Maurits pikte het van hem af. Getuige is het Ravelijn met de graswallen die nu hertenpark zijn. Twee kanonnen hoog op het fort. Een groot hert met hangende vellen aan zijn nieuwe gewei staart in de Veste, de gracht die om het dorp ligt.

Bij het kerkhof aan de Veste staat nog dezelfde reusachtige treurwilg. Zijn takken hangen in het donkere water. Haverbeke, Dellaert, Aerssens, Sudijn, De Paepe, De Houck. De namen op de grafstenen vormen een Vlaams gedicht. Of nog beter, de voornamen: Camiel, Achille, Arsene, Theophiel, Edemon, Lucien en Alberic.

Een duivenmelker laat een vlucht duiven los. Hun vleugels klapperen in de dorpstilte. Ze genieten van hun avondvlucht. Nekjes gestrekt, in nette formatie. Het is een favoriete hobby hier, wedstrijdvliegen. Het was moeilijk in dit dorp een kat in leven te houden.

Naast ons huis staat nog steeds het oude varkenskotje. De buurman slachtte tot op hoge leeftijd zijn eigen varkens. Een dag per jaar vergingen hemel en aarde. Ze werden nog gedood op de ouderwetse, nu verboden, manier. Met een pin in de hals gestoken. Zo bloedt het dier het smakelijkst leeg. Alleen dat gillen.

Mijn ouders slachtten ook hun eigen dieren, alles in de aard van 'gezond van het land leven'. Mijn vader was altijd een dag verdrietig. Maar voor ieder ander was het een vrolijk moment. Onze oude buurman leunde dan over de heg en riep gezellig naar mijn vader: Zat er vee beuling in de kallen? Zaten er veel ingewanden in de kalkoenen?

Op de fiets naar Watervliet. Kijkend met een toeristenblik. Er staan huizen leeg om van te kwijlen. 'De Juffer-Schans', een vervallen Art Deco-huis met gordijnen uit de jaren vijftig. Ingeslagen glas-in-lood. De 'schans' moet ook een deel zijn geweest van het bolwerk van Prins Maurits.

Zoeken naar de Passageule, een oude kreek van toen dit land nog zee was. Een met populieren bepruikte dijk. Het land strekt zich uit in een spannend lijnenspel. Eerst een vet glimmende akker. Dan een brede streep geel verdorde bonenplanten. Een fris veld bietengroen. Bij wijze van verrassing komt een strakke lijn populieren overdwars aanzetten. Stammetjes in het gelid.

Het fietspad leidt gestaag één richting op. Er moet een afslag komen. Een gehuchtje van drie huizen en een discotheek met tekeningen van naakte meisjes. De richtingaanwijzers voor fietsers zijn niet rood-wit maar groen-wit. Ik zit in België. Nog maar 36 kilometer naar Antwerpen. Niet eens een grenspaal.

Dit is Vlaanderen, onmiskenbaar. De bakstenen poortjes langs een oprijlaan van een kleine villa. Betonplaten op de weg, geen asfalt meer. Ik fiets verder, hopend op de afslag. Ik ben bang dat ik gedwongen naar Antwerpen fiets, richting Parijs, richting Madrid. Waar is mijn paspoort?

Dan toch een afslag. Met een torenvalk op een paal. De paal droeg vroeger een straatnaambordje maar is nu alleen maar paal. Het weggetje met kasseien, bijna dichtgegroeid met gras, leidt in de goede richting. Aan het eind ligt een gehuchtje met bomen eromheen. 'Pyramide', staat op een bord. Ah, de Pyramie.

Daar ligt het witte sluisje van de Passageule. Het hout is rot, de sluisdeuren zijn bedekt met een dikke laag spinnenweb. Niet meer in werking. Kijk hoe kalm en laag de Passageule stroomt. Koeien liggen in het gras van de Schorredijk, bomen erlangs, een zeventiende-eeuws schilderij.

Een boerenknol staat elegant op drie voeten, zijn achterste been leunend op de punt van zijn hoef. Machtige billen. Op folkloristische dag drijven hun berijders ze over het marktplein van IJzendijke. Een lans in hun hand om een ring van het touw te plukken. De grond trilt onder je voeten als zo'n beest langs komt denderen.

Op naar Schorer Graf, een kilometer buiten het dorp. De wel edle gestrenge heer staat op de grafsteen. Ik dacht vroeger dat meneer Schorer bekend stond om zijn strengheid. Dat-ie voor straf zo eenzaam lag begraven buiten het dorp. Schorer speelde een belangrijke rol in het verdelen van de drooggevallen kwelders. Fietsen op de bodem van de zee. Zouden er nog sporen zijn? Een verdronken dorp, een scheepwrak in de vette klei?

Lunch op de markt. 'Mooi hé, al die oude geveltjes. Zo goed bewaard gebleven. Daar kan de rest van Nederland nog een voorbeeld aan nemen', zegt een toerist. Mooi ja. De pruikgeveltjes van de huizen rond de markt, de muziektent, het chique groen van de kozijnen. Het voormalige stadhuis heeft een kleine klokkentoren en vergulde balkonnetjes. Ik maak opnieuw kennis.

Toen wij in 1970 in het dorp kwamen wonen, waren we de eerste import uit Holland. Kunstenmaokers, hoorden we eens iemand roddelen, terwijl hij wees naar de macramé plantenhangers achter onze ramen. Importgezinnen zijn inmiddels gewoon. Toch zegt mijn oude buurvrouw, wanneer ik haar vraag of ze vrienden onder hen heeft: 'Ach, wat heb je ermee te maken.'

Ik hoop dat ze Zeeuws leren spreken, die importgezinnen. Iets moois noem je hier 'schoon' terwijl schoonmaken juist 'kuisen' heet. Aardbeien heten fraichen. Dus zuster Immaculata, de onderwijzeres, noemden wij stiekem 'Fraichenneus', omdat haar grote rode neus vol pitjes zat.

Scène in het Streekmuseum, in een grijs verleden. De meneer van museum geeft ons - wij hebben bezoek uit de stad - een rondleiding. Aangekomen bij de Statenvertaling zegt hij trots: 'En dit is onze Stoatenbijbel.' 'Wat ... een satansbijbel?', roept het bezoek geschokt.

Voor mij is de belangrijkste attractie van het museum nog altijd het grote, opgezette hoofd van Bart van Wijngaarden. Mijn hoofd past in zijn ene neusgat, overdrijf ik. Dit trekpaard was de kampioen van alle Vlaamse knollen. Het dier heeft lintjes gewonnen die nu in de toonkast liggen. Zijn bizar grote schedel ligt ernaast.

Het museum heeft oude kaarten waarop IJzendijke afwisselend wel en niet te vinden is. Het stadje IJzendijke werd in de late Middeleeuwen door de zee opgeslokt. Pas na tweehonderd jaar werd het opnieuw gebouwd. IJzendijke lag toen opeens aan zee, aan de monding van de Schelde. Daarom is alles polder om het dorp heen. De Mauritspolder, de Zachariaspolder, de Jonkvrouwpolder. In het museum hangt een schilderij van IJzendijke met lustig zeilende bootjes op een woeste zee. De ree van IJzendijke.

Daar moet je nu twaalf kilometer voor reizen. Ik fiets in het spoor van de Schelde, terug naar de overkant. Salut eeh, roep ik naar mijn oude dorp, 'tot over zestien jaar.' En opeens hoor ik mijn schoolvriendinnetjes na onze dagelijkse polderfietstocht roepen: Allez, de leut eeh.

Meer over