Terug naar de werkvloer

De spoorwegstakingen hebben de vakbeweging in verlegenheid gebracht. Heel Nederland viel over de bonden heen. Heeft de vakbeweging nog bestaansrecht?...

Nederland is even vakbondsmoe. De Dag van de Arbeid is zonder tromgeroffel en wapperende rode banieren voorbijgegaan. Zelfs de treinen reden op 1 mei, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.

De spoorwegstakingen herinnerden Nederland eraan dat vakbonden niet alleen bestaan, maar dat ze het maatschappelijk raderwerk ook nog stil kunnen leggen als ze daar zin in hebben. Maar in plaats van ontzag af te dwingen, of tenminste compassie op te wekken met de meedogenloze uitbuiting waaraan ze door hun hardvochtige, winstbeluste spoorbazen zijn blootgesteld, hebben de stakers hun eigen vakbeweging in de grootst mogelijke verlegenheid gebracht.

Heel Nederland, van links tot rechts, vervloekte de recalcitrante conducteurs en machinisten. Zelfs oud-voorzitter Wim Kok van de FNV kon geen enkel begrip opbrengen voor het stilleggen van het treinverkeer. Zijn opvolger Stekelenburg bemiddelde vergeefs en de zittende FNV-voorzitter De Waal deed een vruchteloos beroep op het spoorwegpersoneel om zich tot 'publieksvriendelijke' acties te beperken.

De stakingen, min of meer georganiseerd door FNV Bondgenoten en de VVMC, leverden ook nog eens een overwinning voor de NS-directie op. Het gewraakte rondje om de kerk, de vereenvoudiging van de dienstroosters, gaat zoals gepland op 10 juni door. Niet de bonden, maar de ondernemingsraad krijgt de ruimte om alternatieven voor het nieuwe rooster te bedenken die meer recht doen aan de verlangens van het rijdend personeel. Ondertussen gaan de bondsbestuurders en de aanvoerders van de personeelscollectieven gewoon door met ruzie maken in hun eigen vakbondstent.

Wout Buitelaar, hoogleraar bedrijfsorganisatie en arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam, keurt de acties niet goed, maar neemt wel de moeite de achtergronden te begrijpen. 'Dat is moeilijk, want de situatie was erg onoverzichtelijk. FNV Bondgenoten was akkoord gegaan met het onderhandelingsresultaat, maar werd teruggefloten door de leden en ging vervolgens staken. De VVMC zou niet gaan staken, deed het vervolgens wel.

'Maar de geschiedenis leert, in de transportsector, maar ook in ziekenhuizen of volcontinubedrijven: als het over roosters gaat, gaat het altijd over meer. Het is niet alleen een vakbondsprobleem, de NS als organisatie heeft ook een groot probleem. Het is een managementconflict, het is een inspraakconflict, het gaat over arbeidsverhoudingen, over de strategie van het bedrijf. En het gaat ook nog over de vraag wat de overheid met het openbaar vervoer wil. Al die onzekerheid is een ontbrandingsfactor voor dat conflict.'

- Hoe betrouwbaar is een vakbond die zijn handtekening zet en daarna gaat staken?

'De problemen tussen vakbondsleden en vakbondsbestuurders zijn reëel. Maar elk conflict draagt de kiem van de oplossing in zich. Een goede manager en een goede vakbondsbestuurder kunnen er wat van bakken. Dit protest luidt de overgang in naar een meer eigentijdse arbeidscultuur. Het accent komt meer te liggen op de werkvloer. Met het volgen van de route via de ondernemingsraad wordt de zaak verbreed. Geleidelijk verschuift het accent van het dienstrooster naar de omstandigheden waaronder de conducteur en de machinist op de trein werken. De tijd dat de bond en de directie op centraal niveau de zaak volledig kunnen dichttimmeren, is definitief voorbij.'

- De bond moet terug naar de werkvloer, het management van NS ook?

'Zoals bij elke arbeidsorganisatie gaat het bij NS over de zekerheid van de kwaliteit van het werk. Mensen kunnen mee in veranderingsprocessen als ze heel goed worden geïnformeerd en er randvoorwaarden gesteld worden. De bonden en de directie hadden een mooi akkoord gesloten. Maar dat moet dan wel goed naar de werkvloer worden uitgedragen, ook door het management. Dat is onvoldoende gebeurd.'

Vervolgens stapelen de onzekerheden zich op elkaar. Buitelaar somt op: 'Eerst had je de verzelfstandiging van het reizigersvervoer. Daarna had je de probleem van de onveiligheid. Vervolgens werd gesneden in het personeel om het bedrijfsresultaat, in verband met een eventuele beursgang, op te voeren. Mensen werden het bedrijf uitbegeleid. Nu hebben ze tekorten, zowel aan personeel als aan materieel. Op sommige lijnen rijdt geen conducteur mee, maar een treinbegeleider. Die heeft minder bevoegdheden, krijgt een lager loon.

'Het spoorwegpersoneel is het overzicht over het bedrijf kwijt. Het is uiteengevallen in zelfstandige onderdelen. Er zijn, in het noorden en het oosten, regionale vervoersconcepten waarin trein en bus complementair zijn. Daar is op zichzelf veel voor te zeggen. Maar het personeel is bang dat we teruggaan naar de vorige eeuw, met verschillende spoorwegmaatschappijen, opgedeeld in regio's. Wanneer je er als bedrijf niet in slaagt je beleid goed uit te leggen, duidt dat op een probleem met de arbeidsverhoudingen.'

Wout Buitelaar (56) studeerde sociologie in Leiden. Hij noemt zichzelf een wetenschappelijke nomade. Hij deed criminologisch onderzoek, werd medewerker bij psychologie in Groningen, promoveerde aan de Technische Universiteit Delft (samen met zijn oud-leerling Ruud Vreeman, burgemeester van Zaanstad). Dat onderzoek ging over het toepassen van technologische vernieuwingen door de werknemers zelf om de kwaliteit van hun arbeid te verbeteren. Sinds kort is Buitelaar directeur van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het ministerie van Justitie. Behalve op woensdag, want dat is zijn Amsterdamse dag als hoogleraar aan de economische faculteit van de UvA.

Dertig jaar geleden werd Buitelaar actief in de Bond van Wetenschappelijke Arbeiders, met andere jonge onderzoekers als Lucas Reijnders, de latere milieuprofessor. Deze 'geschoolde arbeiders' - om met Reve te spreken - vonden dat ze lid van het NVV moesten worden, de ambtenarenbond ABVA dus. Buitelaar werd actief in de bond in de strijd tegen de cursusduurverkorting (de wet-Posthumus), als onderhandelaar met staatssecretaris Klein over de cursusduurverkorting (de 'wet-Posthumus'), als onderhandelaar met staatssecretaris Klein over de positie van de student-assistenten, maar ook als belangenbehartiger van de portiers van het academiegebouw in Groningen. Voor hen regelde hij het afschaffen van de nachtdienst, mét behoud van loon.

In de jaren negentig publiceerde Buitelaar over de stress die de moderne arbeidsverhoudingen met zich meebrengt: de 'tempocratie' en 'de strijd om de tijd'. Kenmerkend voor de economische ontwikkeling is volgens Buitelaar niet dat deze postindustrieel zou zijn. Het is eerder het omgekeerde: organisatievormen, zoals de lopende band, die typerend waren voor de industrie, vinden meer en meer toepassing in de productie van diensten. Vandaar uitdrukkingen als: toeristenindustrie, onderwijsfabrieken, toyotisering van de banken, macdonaldisering van PTT-Telecom of 'ligtijden' in de gezondheidszorg.

Ieders prestatie moet zowel het tijdsritme van het arbeidsproces volgen als passen in het eigen lichaamsritme en de eigen dagindeling. Organisatietijd en individuele tijd botsen met elkaar. De autonomie van de werknemer lijkt toe te nemen. Men hoeft in de platte organisatiestructuren van vandaag minder vaak voor alles en nog wat naar de baas. Tegelijkertijd wordt het werk meer procesmatig georganiseerd, waarbij de logistieke afhankelijkheid toeneemt en de kans op storing, uitval en wachten groter wordt. Buitelaar: 'Bedrijven in het goederen- en dienstenverkeer gaan steeds meer op NS lijken: men hoopt dat de vertraging niet verder uit de hand loopt.'

- Wat is het bestaansrecht van de vakbeweging?

'Het bestaansrecht zie je in de toename van het aantal CAO's. Een verdubbeling, over een wat langere tijd, heel interessant. Wat is nu het probleem? Het personeel zegt: we hoeven niet naar een vakbond, want we hebben een goeie CAO. Ruim zeventig procent van de werknemers valt onder een van de 1.200 CAO's in Nederland. De tweede reden voor het bestaan van een vakbond is economisch. Als elke werknemer individueel afspraken gaat maken, kost dat veel tijd en dus scheppen met geld. Ten derde doet de vakbeweging mee aan herverdeling. Ten slotte draagt de vakbond bij tot sociale cohesie, door bemoeienis met conflicten.'

- Hoe reguleer je die conflicten?

'Door het maken van een infrastructuur van overleg. Bij Unilever noemen ze dat het cascademodel: je hebt overleg op centraal niveau, op werkmaatschappijniveau, op fabrieksniveau, op afdelingsniveau en individueel. Heel fijnmazig, je ziet het ook bij Philips, Akzo, DSM. Bij DSM doe ik zelf onderzoek. DSM is van onder de grond naar boven de grond gegaan, van nationaal naar internationaal, van staat naar de beurs, van bulkproducten naar specialties. Kijk eens wat een veranderingen. In 25 jaar tijd. Daar kan NS nog wat van leren.'

- Komt de bond ook binnen in nieuwe sectoren?

'De vakbond had in de jaren zestig weinig leden in de petrochemie. Nu is die sector goed georganiseerd. Banken hadden tot vijftien jaar geleden een zeer lage organisatiegraad. Nu heb je verschillende bank-CAO's. Het uitzendwezen, de informatisering. De founding father van ICT-bedrijf BSO, Eckard Wintzen, zei ooit: de vakbond is net de NVSH, die hebben we nu niet meer nodig. Nu is er een CAO gesloten bij Origin, de opvolger van BSO.'

- Wat spreken ze af in die CAO's?

'Ze zijn veelal gelaagd. Algemene afspraken met veel differentiatie en uitwerking. Veel minder dichtgetimmerd, veel overleg op lokaal niveau, met conflicten. Die bank-CAO's houden rekening met wat wildere soorten personeel. Prestatiebeloning, employability: door scholing je weerbaarheid op de arbeidsmarkt vergroten. Of flexibele inzet van personeel. Bij Stork staat de ene plant in Limburg en de andere in Brabant. De een leent personeel van buiten in, terwijl de ander overcapaciteit heeft. Vakbondsmensen en personeelsmanagers hebben samen een oplossing verzonnen: hoe kunnen we mensen mobiel maken, toch prettig werk hebben en bij Stork blijven. De oplossing heet Stork Mobiel. De mensen werken op die vestiging waar ze het meest nodig zijn, en soms zelfs buiten Stork.'

- Toch blijft de vakbond een kartel van gevestigde belangen van oudere, witte mannen.

'Ten dele: internationaal daalt de organisatiegraad van de vakbeweging. In Nederland werken een miljoen mensen in de industrie, vijf miljoen daarbuiten. De vakbond heeft een groeiprobleem in die nieuwere sectoren. Dat is gewoon zo.

'In menige bond bestaat het kader uit mannen die zich in de jaren zeventig hebben ontwikkeld. Toch zijn er wel veranderingen. In de medische sector manifesteerde zich een nieuwe vakbond van jonge verpleegkundigen, NU 91. De verpleegsters hebben de rigiditeit van de standsorganisatie die een ziekenhuis toch was, opengebroken. Dat heeft tot op de dag van vandaag positieve effecten. Je ziet meer vrouwen in de ondernemingsraad van ziekenhuizen.

'Het kostwinnerschapsdenken is in de vakbeweging doorbroken. Afdelingen waar ouderen werken, willen geld, afdelingen waar tweeverdieners werken, willen tijd. Dat differentieer je als bond in eisen en uitwerkmogelijkheden.'

- Ook bij de overheid?

'De AbvaKabo sluit niet één, maar twaalf CAO's af voor verschillende categorieën overheidspersoneel of semi-overheid. Dat was het gevolg van de ambtenarenstakingen van de jaren tachtig. Die hebben een bijdrage geleverd aan het differentiëren van de arbeidsvoorwaarden.

'Dat de vakbonden bij de overheid voor conservatief worden gehouden, heeft te maken met onzekerheid. Men is niet tegen verandering, maar men is onzeker over welke kant het op gaat. Kijk naar het onderwijs: de leraren boven de vijftig zijn er bijna allemaal uit. Hoe komt dat? Door die grote onderwijsfabrieken. En ook hier zie je vernieuwing, kijk naar de fusie van de radicale ABOP en de standsorganisatie NGL tot AOB.'

- Wat is de agenda van de vakbeweging in de komende tien jaar?

'Je moet een netwerk zijn in je eigen sector en in je bedrijf. Als vakbond moet je kijken naar wat mensen maken. Als dat verandert, heeft dat gevolgen voor de mensen die dat maken. Vroeger werden hier in Nederland goederen gemaakt, toen machines en nu besturingssystemen van machines. Dat vereist andere vaardigheden. Er wordt van mensen meer gevraagd. Ze krijgen meer directe verantwoordelijkheid, worden van verder af gecontroleerd.

'Mensen hebben het gevoel vast te zitten en dat de eisen die aan hen gesteld worden steeds hoger zijn. Een belangrijk thema is dan ook: verbetering van de kwalificatie, employability. Die geeft de mensen een bepaalde nieuwe zekerheid in veranderingen. Het kunnen bieden van vastigheden in verandering. Stress is een soort mentale vermoeidheid, mentale slijtage. Die kan je door grotere inzetbaarheid voorkomen. Maar arbeid moet geen tienkamp worden.

'Je moet als vakbond een verbinding leggen tussen de representatieve democratie, via de ondernemingsraad, en de directe participatie. Er zijn allerlei vormen van beïnvloeding gegroeid: groepsdelegatie, teamwerk, groepsconsultatie, individuele consultatie. Die les hebben de vakbonden én de werkgevers geleerd in de Rotterdamse haven na de stakingen van 1979 en bij de overheid na de stakingen van begin jaren tachtig. Ik heb het gevoel dat ze ook bij NS bezig zijn een nieuwe tijd in te gaan.'

Meer over