Teleurgesteld kneedt de wielenbouwer zijn kunstbrons

Acht jaar geleden bedacht vormgever Eric van Breemen het dichte, lichtlopende kunststof fietswiel waarmee de wielrennerij de 'space age' binnentrad....

NIEUWS al gehoord? Jelle is afgestapt.' Beeldend kunstenaar Eric van Breemen (51) buigt zich achterover van het aanrecht weg en wenkt zijn gast te gaan zitten, de koffie komt. Aan de overkant van de polyester salontafel in zijn kale flat in Almere-Haven staat wat hij zijn 'Shimano-pispaal' noemt. Een geboetseerde sokkel met een aerodynamisch wielrenwiel uit één stuk ertegenaan leunend en Van Breemens kop erbovenop, de ogen gesloten, de wangen bollend als iemand die alle gedoe goed zat is. Pffffff.

Tegen de sokkel zijn de patenten gespijkerd waarop hetzelfde superfietswiel met de platte spaken te herkennen is. To Eric van Breemen, Almere, The Netherlands, US Patent Office. De schetsen tonen het wiel waarmee Van Breemen als ontwerper enkele jaren geleden de internationale wielrennerij in één klap de space age binnenloodste. Waarna Shimano het zonder pardon kopieerde, patent of geen patent. Gevolgd door anderen.

Jelle, Nijdam dus, reed er in 1990 als eerste op in Antwerpen, en als Van Breemen dezer dagen Indurain op de televisie voorbij ziet gaan, is het steeds alsof hij zijn schetsboek van twintig jaar geleden langs ziet komen. Dat doet pijn, zo in het slaperige Almere, met zijn leven door een paar onbezonnenheden aan gort, zijn huwelijk op de klippen, zijn investeringen weg. Nooit heeft hij het grote geld gezien voor zijn revolutionaire ideeën.

Maar het knarsetanden heeft hij inmiddels afgeleerd, de bitterheid is hij voorbij. Van Breemen is weer gewoon de kunstenaar die hij op zijn 27ste ophield te zijn. In zijn provisorische atelier groeit de laatste maanden een oeuvre waarin hij laat zien wat de beeldhouwer/schilder in hem waard is. En - vooral - wat zijn nieuwste vinding, een kunststof modelleermassa, waard is. Het spul oogt als brons, maar laat zich verwerken als bijenwas.

Een nieuwe vinding, omdat het bloed bij hem zijn hele leven al kruipt waar het niet gaan kan. Door de oorlog verknipt gezin, moeizaam aardend op diverse academies, en toch al vroeg exposities, flinke verkoop. Een Renaissance-achtige geest. Terwijl Robert Jasper Grootveld met kippeveren in zijn kont bij het Lieverdje in Amsterdam de rookmagie bedreef en eigenlijk iedereen kunstenaar bleek, kreeg Van Breemen de onvermijdelijke dip. Hij stopte met schilderen, begon in Naarden een aardewerkfabriek. Werd vormgever, kwam zijdelings in de kunststoffen terecht.

En wielrende eind jaren zestig een aantal jaren niet onverdienstelijk semi-professioneel, al kwam er nogal wat, hij zal maar zeggen, 'preparatie' aan te pas in die dagen. En toen kwam in Het Wiel alles samen. Want omdat het koersen minder wilde vlotten, bekeek hij zijn fiets en besloot dat er veel te winnen was. Dat zwabberde en klotste maar, allemaal weggegooide energie. En dus bedacht hij een stijf kunststof wiel en een as erin die niet kan wrikken, zoals die van een draaibank. Kunststofgigant Akzo hielp hem aan zijn patent. En vervolgens ging het meer en meer mis.

Toen er al lang niets meer te redden was, zat Van Breemen in zijn werkplaats en worstelde met het laatste grote probleem van zijn wiel, de velg. Die moest blijkens onderzoek per se van aluminium zijn en dat kreeg hij maar niet goed op de kunststof wielschijf vast. Tot hij al harsen mengend en vulmiddelen proberend een soort kunststof klei in zijn handen hield. Het spul, een polyester, hechtte onwrikbaar aan aluminium, was ijzersterk, liet zich boetseren en hardde op commando uit.

Een naam heeft hij nog niet voor het goedje, of je moet Heitsa een goede naam vinden. Maar het is de droom van de beeldhouwer, denkt hij zelf, deze grijzige pasta. Er staat een meer dan levensgrote fauteuil van in zijn atelier, zelfportretten als wapperende maskers met sjerpen, handen die handen grijpen die een pistool vasthouden, bijna in de lucht zwevend. Het is beschilderd met olieverf, met metaallakken, en het lijkt dan op alle denkbare andere materialen, metaal, hout, leer. Stof. Vlees. Allemaal een kwestie van bewerken, zegt Van Breemen.

Heitsa, toch die naam dan maar, geeft een beeldhouwer volledige zelfstandigheid. Hij boetseert het materiaal alsof het een model uit bijenwas is, maar dan wel meteen op de juiste schaal. Door verhitting langs een goed gekozen temperatuurtraject wordt het hard als metaal en zelfdragend. Krimp en spanningen treden daarbij niet op. Vervolgens afwerken, en het kan zo de straat op, al dan niet via de galerie.

Weg, kortom, met de modelleur die van je was- of chamotte-ontwerp eerst een gipsmal moet maken en de gieter die daaruit weer een bronzen replica produceert. Met Heitsa is wat je maakt, wat je krijgt. De kunstenaar is de baas, en niet het materiaal, noch de handwerkslieden om hem heen. 'En zo hoort het ook. Je wordt alleen geboren en je gaat alleen dood en ik ben het daartussenin eigenlijk ook het liefst. Ik heb nooit manifesten ondertekend, van een kudde word ik nerveus.'

Vooralsnog is Van Breemens met Dali-achtige plastieken dichtgroeiende atelier eigenlijk vooral een materiaaltechnisch laboratorium, vindt hij zelf. 'Ik ben zo eigenwijs te denken dat kunstenaars bij uitstek toegerust zijn om de grenzen van een nieuw medium te verkennen. Op schaal komen in mijn beelden experimenten voor die op heel andere gebieden een rol kunnen spelen.'

Te denken is daarbij aan het modelleren van schaalmodellen in de auto-industrie of de scheepsbouw, waar krimpvrije materialen cruciaal zijn. En Van Breemen ziet een toekomst voor het spul in het restauratiewezen.

'De crux is daar dat het materiaal zo licht is, maar uitstekend hecht op steen en hout, en oersterk is. Weg zware draagconstructies, van die metalen staketsels waarmee bouwvallen helemaal naar de filistijnen worden geholpen. Gewoon, kleinschalig, aanbrengen wat er nodig is, en ter plekke vormgeven, dat is mijn idee.'

Toch weer industriële plannen, zo lijkt het? Maar, nee, voor Van Breemen voorlopig even niet. Dit hier is zijn lab, hier maakt hij de dienst uit, stelt hij innig tevreden vast. Via de kunst kan hij weer ademhalen, sterker: kunst is ademhalen voor hem geworden.

'Voorlopig geen semi-gladde jongens in snelle pakken die wel weten hoe ze mijn vinding even op de markt moeten kwakken, die kan ik niet meer velen. Souteneursmentaliteit, dat is het woord. Hele laboratoria vol academici, maar niks verzinnen ze er zelf.

'Voor innovatie paaien ze gewoon de groenpiepers in de wereld met geniale ideeën en die kleden ze vervolgens flink uit, want kom maar op als je durft. Dat dus nooit meer.'

Martijn van Calmthout

Meer over