Tekens van het verleden

Monumenten, films, televisiedocumentaires, familieverhalen, boeken - zij vormen te zamen het weefsel van de collectieve herinnering aan de Tweede Wereldoorlog....

FRANK VAN VREE

ER IS EEN HALVE eeuw verstreken sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog en het aantal Nederlanders dat deze jaren min of meer bewust heeft meegemaakt, is inmiddels geslonken tot nauwelijks een vijfde van de bevolking. De herinneringen aan de oorlog leven echter voort. Natuurlijk zijn er emoties en gedachten gesleten en verzwakt, maar daartegenover staan andere die door de tijd juist zijn versterkt. Sommige daarvan zijn individueel, ontleend aan de eigen ervaring, vaker zijn ze groepsgebonden en overgeleverd, in de vorm van geschreven geschiedenis en vertelde verhalen, van speelfilms en romans.

Bij het voortleven van de herinnering is ook sprake van opgelegde tradities, zoals de nationale dodenherdenking, een eredienst in de geest van de jaren vijftig, waarbij niet alleen de doden van de Tweede Wereldoorlog, maar ook die van de koloniale herovering van Indonesië en de strijd in Korea worden herdacht. De officiële betekenis van de dodenherdenking heeft zich inmiddels ver verwijderd van de opvattingen die uit het 'natuurlijke' verwerkingsproces zijn gegroeid. Hoeveel Nederlanders die een 4 mei-herdenking bijwonen, zouden niet met verbazing, of zelfs verontwaardiging, reageren wanneer blijkt dat zij daar ook staan om de gesneuvelde vrijwilligers uit de Korea-oorlog te herdenken?

De Tweede Wereldoorlog is geen afgesloten hoofdstuk. De herinneringen eraan zijn nog steeds onderhevig aan voortdurende verandering. Zelfs het beeld van de generatie die de oorlog zelf beleefde, lijkt nog maar weinig op dat van een halve eeuw geleden. Het is aangevuld met de herinneringen van anderen of aangepast aan de 'officiële' geschiedenis, accenten zijn anders komen te liggen en verdrongen gevoelens hebben eindelijk een plaats gekregen.

Aan dat proces is nog lang geen einde gekomen. De herinneringen worden door de tijd heen laag voor laag opnieuw bedekt, waardoor er een weefsel ontstaat waarin steeds nieuwe patronen en motieven zichtbaar worden.

In dat weefsel van herinneringen - de associatie is ontleend aan James Young's boek The Texture of Memory - Holocaust Memorials and Meaning (1993) - leven de gebeurtenissen voort. Vijftig jaar na de oorlog zijn wij letterlijk en figuurlijk omgeven door tekens die verwijzen naar het verleden, in alle vormen en kleuren: monumenten in parken en op pleinen, films en televisiedocumentaires, familieverhalen, geschiedenislessen, verwoeste binnensteden, toeristen op weg naar het Anne Frankhuis, de argumenten in de discussies over etnische zuivering, atoombewapening, genetische manipulatie en euthanasie - en dat geldt uiteraard niet alleen voor Nederland.

Als publieke uitingen van het collectieve geheugen weerspiegelen deze films, monumenten, debatten en geschiedenisboeken niet alleen de ervaringen van het verleden, maar evenzeer die van het heden. Zij dragen immers onmiskenbaar het stempel van nationale mythen, van heersende politieke idealen en behoeften van de tijd waarin ze zijn vervaardigd. Daarbij maakt het nauwelijks verschil of ze bedoeld zijn als eerbetoon aan de slachtoffers, als poging om het verleden op te roepen of om een voorbeeld te stellen.

Het zijn deze patronen en hun onderlinge samenhang, deze textuur van het collectieve geheugen, die het object vormen van de studie van James Young, hoogleraar Engelse letterkunde en joodse studies aan de universiteit van Massachusetts. Young concentreert zich vooral op monumentale en literaire voorstellingen van de holocaust, breed gedefinieerd als de nazistische vernietiging van alle door de nazi's als minderwaardig beschouwde groepen, inclusief zigeuners, zwakzinnigen en homoseksuelen.

Het werk van Young sluit nauw aan bij de snel gegroeide belangstelling van historici, letterkundigen, antropologen en sociologen voor het collectieve of 'sociale' geheugen. Deze belangstelling beperkt zich allerminst tot de oorlog of de recente geschiedenis. In Frankrijk, waar deze interesse al in de jaren tachtig bloeide, richtte men zich op de nationale lieux de mémoire, op beelden, gebouwen, figuren, liederen, symbolen en andere 'plekken' waarin de levende herinneringen aan het verleden zouden zijn verankerd.

De resultaten van deze beschouwingen werden vastgelegd in 'Les lieux de mémoire', een door Pierre Nora geredigeerde mammoetserie waarvan tussen 1984 en 1993 zeven delen verschenen. Opvallend is dat de Franse onderzoekers zonder verdere toelichting opereren vanuit een zuiver nationaal perspectief. Zo vanzelfsprekend is dat immers - voor niet-Fransen - niet.

Tegenover de natie als referentiekader zijn heel goed andere invalshoeken denkbaar. Zo heeft een aantal Britse historici, voortbouwend op hun traditie van volksgeschiedenis en het gebruik van mondelinge bronnen, onder meer in de befaamde history workshops, het collectieve geheugen van specifieke sociale groepen en klassen tot object van hun studie gekozen.

Dat ook de collectieve oorlogsherinneringen en hun 'ankerplaatsen', onderwerp van een dergelijke aanpak zijn geworden, kan nauwelijks verwondering wekken. Dergelijk onderzoek werpt immers niet alleen een helder licht op de ideeën over het verleden als zodanig, maar evenzeer op de veranderingen die een samenleving ondergaat. Het feit dat er vandaag de dag heel andere films over de Tweede Wereldoorlog worden gemaakt dan veertig jaar geleden, zegt vooral iets over de ontwikkeling die de Nederlandse samenleving in de tussenliggende decennia heeft doorgemaakt.

De geschiedenis van oorlogsmonumenten bijvoorbeeld, vijftien jaar geleden zo prachtig in kaart en beeld gebracht in het monumentenboek Sta een ogenblik stil. . . van Wim Ramaker en Ben van Bohemen (helaas nooit bijgewerkt), laat zien dat er de eerste twee decennia na de oorlog nauwelijks ruimte was voor een herdenking van de slachtoffers van de nazistische vernietigingspolitiek. Pas in de loop van de jaren zestig kwam daarin verandering.

DE VOLGENDE decennia zouden er overal in het land gedenktekens verrijzen, in de eerste plaats voor de honderdduizend weggevoerde Nederlandse joden. In 1978 werd op het Museumplein in Amsterdam een beeld voor de omgebrachte zigeuners onthuld en negen jaar later een monument ter nagedachtenis aan de homoseksuelen die door de nazi's gevangen waren genomen en omgebracht.

De oprichting van deze monumenten was niet zozeer het gevolg van een betere kennis van de oorlogsgeschiedenis, maar vooral van het verdwijnen van de traditionele waarden en normen in de jaren zestig. In de nationalistische en gezagsgetrouwe visie op de bezettingsjaren - een volk dat aangerand werd, maar dank zij ferme leiding geestelijk ongebroken uit dit lijden te voorschijn kwam - was geen plaats voor groepen die juist aan het collectieve falen zouden kunnen herinneren. Het beeld van de bezettingsjaren was tot 1965 gegrondvest op de idee van het nationale lijden en de offers die voor de toekomst van het vaderland waren gebracht, zoals de meeste monumenten en plaquettes uit die jaren ondubbelzinnig laten zien.

Een ander karakteristiek aspect van dit nationale geschiedbeeld vormde de absolute tegenstelling tussen 'goed' en 'fout', waarbij 'goed' eigenlijk alles omvatte wat niet moedwillig collaboreerde. Pas na de ondergang van dit nationalistische beeld was er ook ruimte voor het grote grijze tussengebied van wat men aan het eind van de jaren zestig plotseling zag als falend leiderschap, meeloperij, pennelikkerij en lafheid. De toon van de artikelen en televisiedocumentaires uit de jaren zeventig en tachtig herinnerde nog maar weinig aan die van de beginjaren zestig - zoals de film De Overval (1962) een eeuw verwijderd lijkt van De IJssalon (1985) of In de schaduw van de overwinning (1986).

De grondige verschuivingen in het beeld van de bezettingsjaren is, met andere woorden, voor een groot deel te herleiden tot de radicale politieke en culturele veranderingen na 1965. Sterker nog: de herinneringen aan de oorlog fungeerden zelf als munitie in de heftige politieke en culturele confrontaties van deze jaren. De oorlog bleek een onuitputtelijke voorraadkast van argumenten te vormen.

Deze ontwikkelingen waren overigens niet typisch Nederlands. Ook in Frankrijk, België en de Verenigde Staten hebben de herinneringen aan de oorlog andere kleuren en accenten gekregen. Overal heeft het nationaal-politieke perspectief aan betekenis ingeboet, terwijl de nazistische vernietigingspolitiek in het centrum van de collectieve herinnering is komen te staan. Dat laatste geldt inmiddels ook voor een aantal Oosteuropese landen, waaronder Polen.

Bij de meewarigheid en minachting waarmee dikwijls over Polen wordt gesproken, wordt vergeten dat de erkenning van de massamoord op de joden - hoe halfslachtig ook in de praktijk - een wezenlijk element uitmaakt van de identiteit van het nieuwe Polen. Onder het vroegere communistische bewind werd het specifieke karakter van de nazistische vervolging van de joden immers altijd ontkend. Het museum in Auschwitz heette bijvoorbeeld Museum van het Martelaarschap van Polen en andere Naties, en zelfs het mythisch-proletarische Getto Monument in Warschau, onmiddellijk na de oorlog opgericht als herinnering aan de grote opstand in 1943, fungeerde vooral als een instrument voor communistische propaganda - al zou het later een heel andere plaats innemen, onder meer als ontmoetingsplaats van de verboden vakbond Solidariteit.

Veel van deze tendensen zijn haarscherp terug te vinden in The Art of Memory - Holocaust Memorials in History, een rijk geïllustreerd werk over holocaust-gedenktekens in Duitsland, Israël, Amerika, Polen, Rusland en Nederland. Het boek is uitgegeven ter gelegenheid van een gelijknamige tentoonstelling, die tot voor kort te zien was in New York, Berlijn en München, en draagt het stempel van James Young, die optrad als ontwerper van de expositie en redacteur van het boek.

Het boek, dat de tentoonstelling kwalitatief overtreft, geeft een heldere indruk van de nationale tradities en eigenaardigheden in de collectieve herinnering aan de Tweede Wereldoorlog. Holocaust-gedenktekens en hun vaak moeizame ontstaansgeschiedenis blijken een uitstekend middel om andere ontwikkelingen te vatten, zoals Young zelf laat zien in zijn bijdrage over de onaanraakbaarheid van Anne Frank.

Volgens Young wordt het Anne Frankhuis in Amsterdam niet alleen gekoesterd omdat het een belangrijke toeristische trekpleister vormt, maar vooral omdat het zo'n dankbare ankerplek vormt voor het problematische zelfbeeld van de Nederlanders. Zij zien hun eigen land zo graag als een toevluchtsoord voor vervolgden, maar bleven in meerderheid passief toen driekwart van de joden uit hun midden werd weggevoerd.

Een ander thema dat in The Art of Memory uitvoerig aan de orde komt, heeft betrekking op de problemen waarvoor de ontwerpers van de monumenten zich gesteld zien. Of, in de woorden van Jan Wolkers, ontwerper van het Auschwitz-monument in Amsterdam: 'Tot barstens toe kun je je hersens afpijnigen of er een beeld wil opdoemen dat die schande en dat leed bij benadering zou kunnen weergeven.' Het boek laat zien dat de kunstenaars door de jaren heen tot zeer uiteenlopende oplossingen kwamen. Opvallend daarbij is niet alleen de geleidelijke toename van het aantal abstracte beelden, maar ook het voortleven van oude joodse tradities van gedenken.

Een apart hoofdstuk vormen de gedenktekens in de Verenigde Staten, waar de publieke herdenking van de holocaust enorme - in de ogen van sommigen wanstaltige - proporties heeft aangenomen. In Amerika is de holocaust uitgegroeid tot een gruwelijk mene tekel voor een samenleving die slechts kan bestaan bij de gratie van tolerantie en vreedzame existentie van uiteenlopende etnische en culturele groepen.

En zo wandelen de bezoekers van het Beit HaShoah Museum of Tolerance in het Simon Wiesenthal Centrum in Los Angeles door replica-deuren van Auschwitz, waarna ze door middel van een multimedia-presentatie, met high-tech diorama's en decors bevolkt met wassen beelden, de geschiedenis van de Duitse joden sedert 1932 zien 'herleven'.

HET ZAL DUIDELIJK zijn dat het onderzoek van de textuur van de herinneringen verder reikt dan de feitelijke oorlogsgeschiedenis. Het is ook en vooral een vorm van reflexie, van nadenken over de betekenis. Alleen daarom al kan het initiatief van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie om in dit 'jubileumjaar' een internationale conferentie over 'Herinnering en de Tweede Wereldoorlog' te organiseren, worden toegejuicht. Het congres, waaraan ook de universiteiten van Leiden, Utrecht en New Brunswick (Verenigde Staten) meewerken, vindt 26, 27 en 28 april in Amsterdam plaats en zal zich bezighouden met uiteenlopende aspecten van de collectieve herinnering in Europa, Amerika en het Verre Oosten.

De studie van het collectieve geheugen vergt een helder oog voor ontwikkelingen op andere gebieden en een brede en gevarieerde aanpak. Maar juist dat maakt deze benadering zo boeiend. Wij zijn maar al te snel geneigd aan te nemen dat ons beeld van het verleden slechts verandert door nieuwe feiten. De studie van de verschuivingen in het collectieve geheugen en de geschiedschrijving laten zien dat de meest ingrijpende betekenisveranderingen van de laatste halve eeuw hun oorsprong meestal elders vinden.

James E. Young (editor): The Art of Memory - Holocaust Memorials in History.

Prestel Verlag; ¿ 95,50 (hardcover; ook leverbaar als paperback).

ISBN 3 7913 1322 3 (Engels).

ISBN 3 7913 1337 1 (Duits).

Meer over