Tekenaar begon met foutief portret, werd populair en ging zichzelf plagieren

'Eerste gedrukte tekening van ons Jo', schreef moeder Spier in het schrift waarin ze het prentje plakte van een gekweld voetballertje in een schoolbank....

ADRIAAN DE BOER

Na acht jaar pianoles kon hij weinig meer ten gehore brengen dan een kreupel 'Bijtje, zoem, zoem', een danstype was hij evenmin. Hij zond Albert Hahn wat tekeningen toe, maar zijn voorbeeld ried aan eerst de schoolopleiding te voltooien. Met diploma vertrok Spier naar Amsterdam. Na de Academie voor Beeldende Kunsten volgde Parijs, maar het instituut in Montmartre bleek een bouwval en eigenlijk was Montparnasse al het nieuwe artiesten-mekka. Hij ontmoette één andere tekenaar, die dezelfde huisarts had.

Spier begon er wel zijn loopbaan. Voor het Nederlandse wielerblaadje Rémo portretteerde hij een Zweedse baankampioen. Prompt legde het Parijse l'Auto contact: de tekenaar had zich op de Vélodrome d'Hiver de verkeerde laten aanwijzen en niet de baankampioen vereeuwigd, maar hun hoofdredacteur. Hij mocht voor Sporting aan de slag. Zijn simpele lijnenspel was bij uitstek geschikt voor de beperkte reproduktietechniek in kranten en tijdschriften.

Na terugkeer in Nederland kon hij terecht bij De Telegraaf. 'De mooiste tijd van mijn leven': werken voor het moment, niet voor de eeuwigheid. Zijn tekeningen in krijtpotlood sierden uiteenlopende reportages, hij voelde zich meer journalist dan artiest. Vaak plakte hij stukjes papier met correcties over het origineel. Een cliché registreerde alleen het lijnenspel, niet de contouren van de papierlagen. Zijn toewijding was bijna middeleeuws, oordeelde Piet Bakker, kunstredacteur van Het Volk.

In 1933 verscheen een eerste bundel met een selectie uit Spier's werk. Hij had al geëxposeerd, werd gewaardeerd door collega's, alom bewonderd en herkend. Kelners gaven de vertolker van ook hun levensgevoel hun beste tafeltjes. Maar door de verbeterde fotodruktechnieken kregen zijn tekeningen een minder actueel karakter, werden ze een genre op zich. Menno ter Braak noemde hem humorist en predikant tegelijk, het bedrijfsleven (Calvé, Droste, Bols, Bayer) begon hem als reclametekenaar in te schakelen, Spier kreeg het druk met zijn kalenders, brochures en boekjes, en begon zichzelf te plagiëren. Zo dook bijvoorbeeld een profieltje van filmactrice Jeanette McDonald opnieuw op, ditmaal zekere mevrouw Fockema verbeeldend.

Vriend Lunshof prees in De Telegraaf de door Spier verluchte jubileumuitgave van de Camera Obscura ('zijn levenswerk') de hemel in, de Haagsche Post meende dat Hildebrand en zijn werk onrecht waren aangedaan. Spier hield er een aardige som aan over, kocht een huis in Broek in Waterland en een auto, een Delahaye.

Kort na het begin van de bezetting werd ook hem het werken onmogelijk gemaakt, maar zijn pro-Duitse krant beloofde zijn salaris te blijven doorbetalen. Vanwege een spotprent uit 1936 (de humor en ironie zijn nu aan weinigen meer besteed) belandde hij in 1942 via Westerbork in een Doetinchemse villa. Daar had hij met twintig lotgenoten huisarrest, maar ook zijn vrouw en drie kinderen waren er ondergebracht. Het milde intermezzo wordt toegeschreven aan de invloed van NSB-leider Mussert, een fan.

In april 1943 kwam het gezin in Theresienstadt terecht. Spier werd Werkstattleiter, het vijftal kreeg eigen woonruimte. Tijdens de beruchte opknapbeurt - voor een inspectie van het Rode Kruis werd het kamp zo ongeveer als lustoord gepresenteerd, ook in een ter plekke gedraaide film - werd ook die behuizing onder handen genomen. Spier maakte ook scènetekeningetjes tijdens de opnamen. Hij heeft zijn collaborerend optreden verdedigd met een beroep op de 'doodsbedreiging' waaraan hij blootstond. Beschuldigingen aan zijn adres hielden geen stand. Na verhoor kon hij het bevrijde kamp verlaten. Alle gezinsleden waren nog in leven.

Bij de verboden Telegraaf kon Spier niet aan de slag, Elseviers Weekblad ontfermde zich over hem. De Waarheid rakelde het kampverleden op van de maker van 'misselijke tekeningen, waarin hij het leven in de jodenstad, het voorportaal van de gaskamers van Bergen-Belsen, verheerlijkte'. In sommige kringen werd de ooit gelauwerde illustrator persona non grata. Hij reisde met onder anderen Piet Bakker regelmatig voor het weekblad, maakte als vanouds weer verbluffend veel reclamewerk, maar vond zijn draai niet meer. Hij emigreerde in 1951 naar de Verenigde Staten, was succesvol in de reclame en verwierf er het staatsburgerschap. In zijn geboorteland werd hij inmiddels beschouwd als verouderd fenomeen. Kort nadat hij zijn kamptekeningen had laten bundelen, overleed hij in mei 1978 aan een hartaanval. Hij werd begraven in Santa Fé.

Adriaan de Boer

Meer over