Tegen

ANDRÉ Hazes is James Brown. Zo probeer ik de dingen te vertalen, anders begrijp ik er helemaal niets van. Dezelfde smaak in kleren, dezelfde voorkeur voor het verbijsterende kapsel, de zigeunerachtige opsmuk, die dicht tegen het verwijfde aanleunt....

Goed. Maar dan de muziek. James Brown heeft de seks en de swing. Hazes de snik, de kreupele tekst en het op hol geslagen vibrato, zoals je dat van paarden zegt. Ik bedoel, ik snap niets van James Brown, behalve zijn muziek. Je moet die man niet voor je zien, met die helm van haar rond zijn hoofd geplakt, maar zijn ritmegevoel en zijn stem slepen je mee naar, ja waarschijnlijk naar je eigen ingewanden en je prostaat. En Hazes? Die neemt je mee naar de kermis van Volendam. Pluchen gevoelens. De verkitschte wereld.

Er is een documentaire over Hazes gemaakt door John Appel, een studentikoze man, zo te zien, met een linksig, Frans brilmontuur. Die documentaire is een sterk gelijkend portret: hij laat je André Hazes zien zoals je je André Hazes voorstelt. Geen duiding, geen eigenzinnige draai van de maker, maar een houtskooltekening voor in het Volkenkundig Museum. Veel lof gekregen, die film, juist van de culturele elite, het kritische VPRO-publiek. Waarom?

Hier is sprake van het tegendeel van snobisme. Nee, geen arbeiderisme, daarvoor is de lof te nadrukkelijk apolitiek. Camp is het ook niet, want de knipoog ontbreekt. Bij gebrek aan een goed Nederlands woord noem ik het maar lowism: het verschijnsel dat mensen die beter zouden kunnen weten zich nestelen in de smaak en het simplistisch universum van de eerste klas ambachtsschool.

Ik ben een typische middenklasse-jongen, opgevoed met twee Duitse begrippen voor ogen: Bildung en Lernen. Het verschijnsel dat ik bedoel, is een provocatie aan dat ideaal. 'Leer maar niets meer', zegt het. 'Zo is het fijn, zo is het goed.'

Ik ben daar ouderwets tegen.

Meer over