Tegen het Amerikaanse verraad

De verhoudingen tussen de VS en Europa zijn verkrampt geraakt door de Amerikaanse reactie op de aanslagen van 11 september....

door Willem de Bruin

DAT Slobodan Milosevic medeschuldig is aan de gruwelen tijdens de Joegoslavische burgeroorlog lijdt geen twijfel. Of zijn uitlevering aan het Joegoslavië-tribunaal ook een doorbraak kon worden genoemd op de weg naar een internationale rechtsorde, is een ander verhaal.

Het zou heel goed kunnen dat Osama bin Laden het brein is achter de aanslagen van 11 september. Of het verzoek van het Taliban-bewind in Afghanistan enig bewijs daarvoor te overleggen zo onredelijk was, is een ander verhaal.

De nieuwe wereldorde van Bush sr. lijkt tien jaar later onder Bush jr. definitief zijn beslag te krijgen. Een wereldorde gegrondvest op een eenvoudig beginsel: het recht van de sterkste. Dat lijkt een open deur, want heeft dit recht niet altijd al geregeerd? Zeker, maar niet eerder in de geschiedenis was één mogendheid in staat zijn macht, militair en economisch, tot in alle hoeken van de wereld te doen gelden. Niet alleen wat de VS doen, maar ook wat zij nalaten, is van invloed op de rest van de wereld.

Even leken de gebeurtenissen van 11 september iedere kritiek op de VS voorgoed onmogelijk te maken. Vergeten waren alle meningsverschillen over een reeks van kwesties, variërend van het klimaatverdrag tot het internationaal strafhof. Dit was immers geen aanslag op Amerika, maar een aanval op het hele vrije Westen en dan is solidariteit geboden. Bovendien, zo klonk het hoopvol, zou deze gebeurtenis ook de VS moeten doen inzien dat mondiale problemen en bedreigingen alleen door internationale samenwerking kunnen worden opgelost. En gaf Bush daar tenslotte zelf geen blijk van door er niet meteen op los te slaan, maar eerst te proberen een zo breed mogelijke coalitie tegen het terrorisme te vormen?

Vijf maanden later moeten we constateren dat wanneer Amerika's NAVO-bondgenoten gedacht mochten hebben daadwerkelijk bij de oorlog tegen het terrorisme te zullen worden betrokken, 'zij er met open ogen zijn ingetuind', zoals amerikaniste Ruth Oldenziel het onlangs uitdrukte.

De Amerikaanse president heeft inmiddels laten weten dat Afghanistan nog maar het begin was, geheel in lijn overigens met zijn toespraak van 21 september, toen Bush aankondigde dat Amerika niet zou rusten voor de wereld was 'gezuiverd van het kwaad'. Het is daarom enigszins opmerkelijk dat degenen die tot voor kort nog iedere twijfel over het Amerikaanse optreden als een vorm van verraad beschouwden, zich nu bezorgd afvragen of het begrip terreur niet wat erg ver wordt opgerekt.

Redenen voor bezorgdheid zijn er te over. Voor zover de VS na 11 september volkenrechtelijk en moreel gerechtigd waren terug te slaan, is het moeilijk vol te houden dat de aanslagen een argument zouden opleveren om nu maar alle openstaande rekeningen te vereffenen. Bovendien, wat heeft de veel bezongen 'overwinning' in Afghanistan ons eigenlijk opgeleverd? Is de terroristische dreiging met de verdrijving van het Taliban-bewind afgenomen? Osama bin Laden, het veronderstelde brein achter de aanslagen van 11 september, om wie het in eerste instantie was te doen, is nog voortvluchtig. Hetzelfde geldt voor de meeste leiders van het Taliban-bewind, dat hem onderdak verleende. De infrastructuur van Al Qa'ida is goeddeels vernietigd, maar volgens Bush' eigen zeggen lopen er nog altijd 'tienduizenden' goedgetrainde terroristen rond.

Dat Afghanistan is bevrijd van het Taliban-bewind is mooi meegenomen, maar dat was aanvankelijk niet het doel van de oorlog. Het lijkt er bovendien op dat het gezag van de overgangsregering niet veel verder reikt dan de gemeentegrens van Kabul, het gebied dat wordt beschermd door de internationale troepenmacht. Daarbuiten vechten dezelfde krijgsheren tegen elkaar die ruim vijf jaar geleden door de Taliban werden verdreven. Ook toen werd er gejuicht.

Buiten Afghanistan zijn de betrekkingen tussen de atoommogendheden India en Pakistan flink verslechterd, is een oplossing van het conflict tussen Israël en de Palestijnen verder weg dan ooit, worden Irak en Iran in elkaars armen gedreven en nemen de spanningen in Saoedi-Arabië snel toe. Het is een resultaat dat het ergste doet vrezen voor wat nog komen gaat.

Dit dwingt Europa zich rekenschap te geven van zijn positie tegenover de VS. Nu de uitvergroting van het leed dat de VS is aangedaan in Europa zijn uitwerking begint te verliezen, lijkt kritiekloze solidariteit langzamerhand plaats te maken voor een nuchterder kijk op de verhouding tussen doel en middelen. Maar de kritiek klinkt, vooral in Nederland, vaak wat benauwd. Veel Europese politici, en intellectuelen, zitten nog steeds gevangen tussen angst en bewondering voor Washingtons almacht.

Hoe verkrampt de verhouding tussen beide continenten is, blijkt uit de gretigheid waarmee men zich in Europa overgeeft aan zelfkritiek. Het negeren en bruskeren van Europa door Washington valt niet de VS aan te rekenen, maar onszelf. Europa stelt immers politiek en militair niets voor en dan moet je niet vreemd opkijken dat er niet naar je wordt geluisterd. Deze 'weg met ons'-houding, leidt vanzelf tot de conclusie dat de machtsverhoudingen Europa geen andere keus laten dan zich te schikken in de Amerikaanse hegemonie.

Kritiek op de VS krijgt tegen deze achtergrond al snel iets wereldvreemds. Plak er het etiket 'anti-amerikanisme' op en daar doemt reeds het beeld op van het metershoge hek rond het Amerikaanse consulaat-generaal in Amsterdam en de barricades voor de Amerikaanse ambassade in Den Haag. Het hoort bij leuzen uit de jaren zestig als 'Johnson moordenaar' en 'Yankee, go home!' Hoewel sommigen in die dagen in Amerika de bron van alle kwaad in de wereld zagen, onderhielden ook toen de meeste critici een haat-liefdeverhouding met de VS.

Amerika was niet alleen het land van het onversneden kapitalisme, doodstraf, rassendiscriminatie, vuurwapengeweld en napalmbombardementen, maar ook het land van de jazz en de blues, waar in films en literatuur de eigen samenleving aan een kritische blik werd onderworpen. Amerikaanse popmuziek speelde een niet onbelangrijke rol in het vertolken van de onlustgevoelens aan beide zijden van de oceaan en bevestigde tegelijkertijd de historische en culturele band die tussen Europa en de VS bestaat.

Juist deze band vormde de bron van het anti-amerikanisme, niet de verwerping van de Amerikaanse samenleving tout court. In 1968, toen de Vietnamoorlog in volle hevigheid woedde, verscheen Het Amerikaanse imperialisme van de Franse journalist Claude Julien. Het boek schetste een weinig flatteus beeld van Amerika's rol in de wereld. Lezenswaardig is ook nu nog het voorwoord bij de Nederlandse vertaling, van de hand van prof. B.V.A. Röling, destijds hoogleraar-directeur van het Polemologisch Instituut van de Rijksuniversiteit Groningen.

Het Amerikaanse imperialisme is uniek in de zin dat het niet is gebaseerd op verovering en bezetting, maar zich juist beroept op het vrijheidsideaal. Het wordt geformuleerd in termen van vrijheid en democratie, zelfbeschikkingsrecht, universele gerechtigheid en, in de relatie met Europa, in een gedeelde cultuur.

'Hier ligt', aldus Röling, 'het verwarrende van het verschijnsel. Die doeleinden zijn ook onze doeleinden. (...) De waarden die men stelt te verdedigen, zijn de waarden die wij aanvaarden en die ons boven alles dierbaar zijn. (...) Vandaar ook het protest en de wrevel tegen de prostitutie van deze hoge waarden in dienst van Amerikaanse machtsontplooiing. Het verzet tegen het Amerikaanse optreden in en buiten Europa is niet gegrond op het aanvaarden van andere dan de gestelde waarden. (...) Dat verzet vindt zijn wortel in het misbruik van en het verraad aan de waarden van vrijheid en humaniteit.'

In het anti-amerikanisme lopen emotionele en rationele argumenten door elkaar. De emotionele kant is de jaloezie die rijkdom en macht bijna vanzelf oproepen. Jaloezie die makkelijk kan overgaan in rancune wanneer blijkt dat die macht en rijkdom wel worden gebruikt om de eigen superioriteit te demonstreren, maar tegelijk aan anderen wordt ontzegd. Inderdaad, de voedingsbodemtheorie.

Kort na 11 september sprak Bush over de noodzaak het terrorisme ook langs politieke en economische weg te bestrijden. Inmiddels lijkt tegenover het geweld van de terroristen slechts de dreiging met meer tegengeweld te staan. Het is waar dat sommige islamitische groeperingen de westerse samenleving als zodanig verwerpen. Het is ook waar dat wanneer Bush gehoor zou geven aan het advies van de filosoof Luuk van Middelaar en alle islamitische landen de moderniteit in zou bombarderen, dit het anti-amerikanisme vermoedelijk slechts zou aanwakkeren.

De hoop dat Amerika, naast de begrijpelijke behoefte zich te wreken, zich ook rekenschap zou geven van zijn positie in de wereld, lijkt met Bush' eerste State of the Union vervlogen. Op dezelfde dag dat de Amerikaanse president bekendmaakte de defensie-uitgaven met 48 miljard dollar te willen verhogen, probeerden Amerikaanse regeringsfunctionarissen te verhinderen dat de VN-conferentie over ontwikkelingshulp, die in maart in Mexico wordt gehouden, Amerika met verplichtingen zal opzadelen.

Robert Hunter Wade, hoogleraar politieke economie aan de London School of Economics, wierp onlangs in de International Herald Tribune de vraag op wat je als hedendaags Romeins keizer zou moeten doen om je macht en rijkdom veilig te stellen, zonder voortdurend je militaire gewicht in de schaal te hoeven werpen. Zijn antwoord luidde dat je er in dat geval voor moet zorgen dat handelsarrangementen altijd in jouw voordeel werken, dat de concurrentie op afstand wordt gezet. Wanneer dat niet het geval is, doe je er gewoon niet aan mee. Vervang de Romeinse keizer door de Amerikaanse president en het is volgens Wade duidelijk dat waar wordt gesproken over een mondialisering van de economie, veel vaker sprake is van een 'amerikanisering'.

Velen hebben na 11 september reeds hun licht laten schijnen over de bijzondere missie die de VS zichzelf hebben opgedragen en de vaste overtuiging van iedere Amerikaan dat er geen betere samenleving denkbaar is dan de hunne. Amerikaanse waarden zijn universele waarden en in de perceptie van de VS valt het eigen belang daardoor automatisch samen met het belang van de wereld. Steun van de bondgenoten is hierbij eigenlijk vanzelfsprekend, en anders: jammer dan.

Wat bracht ons, zo vroeg de conservatieve columnist Charles Krauthammer zich af in The Washington Post, de overwinning in Afghanistan? En waarom werd Amerika door bijna alle landen gesteund? 'Niet omdat ze van ons houden. Niet omdat we het multilateralisme hebben omarmd. Maar omdat we onze ontzagwekkende militaire macht hebben laten zien en de wil vitale Amerikaanse belangen te verdedigen, desnoods unilateraal.'

Het is tegen deze achtergrond inderdaad een illusie te denken dat Europa gehoor zal vinden in Washington. En dat geldt nog meer voor de gedachte dat wanneer wij nu ook maar meer geld aan defensie uitgeven, Europa's invloed zal toenemen. De 48 miljard dollar extra die Bush voor defensie wil uittrekken, is meer dan de afzonderlijke defensiebegrotingen van Duitsland en Frankrijk. Wat zouden wij daar tegenover moeten stellen? Amerika, dat 5 procent van de wereldbevolking herbergt, is straks verantwoordelijk voor 40 procent van de militaire uitgaven in de wereld.

Dit dwingt Europa niet tot nog meer onderdanigheid. In plaats daarvan zou een zelfbewust tegengeluid eerder op zijn plaats zijn. Niet uit een gevoel van morele superioriteit of de wens ons af te keren van de VS, maar omdat, zoals Joschka Fischer het verwoordde, het in een bondgenootschap van soevereine, democratische staten geen pas geeft dat de machtigste partner de anderen tot satellietstaten reduceert.

De vraag is bovendien, gegeven het verloop van de oorlog in Afghanistan, wat de VS met hun overmacht willen bereiken. Overmacht leidt snel tot overmoed. De geschiedenis leert dat wie de wereld alleen met dwang in het gareel probeert te houden, uiteindelijk meer vijanden dan overwinningen zal oogsten.

Meer over