Tegen de vergetingsdood

Humanist, filosoof, bevriend met Thomas Mann en in de jaren dertig mede-oprichter van het Comité van Waakzaamheid: zo'n grootvader wil iedereen wel hebben. Paul Scheffer had hem.

WILMA DE REK

Op het graf van de grootvader van Paul Scheffer staat deze zin: Not Lost but Gone Before. Het is de titel van een kinderverhaaltje uit 1857, over een larve die een libelle is geworden. Toen hij nog een larve was had hij de andere larven in de modderpoel beloofd dat hij ze zou vertellen hoe het was om een libelle te zijn. Nu is hij er een, en zijn leven als libelle is prachtig; maar in zijn nieuwe gedaante kan hij zijn oude vrienden niet meer bereiken.

Schrijver en filosoof Herman Wolf, de vader van de moeder van Paul Scheffer (59), was geïnteresseerd in reïncarnatie. Maar ook in de kracht van het humanisme, in de genialiteit van Goethe, in vrijheid, in de leer van de boeddha, in Schopenhauer, parapsychologie en in het voortbestaan van de ziel. En in de duistere kanten van de wereld: Wolf werd geboren in Duitsland, emigreerde op zijn 6de naar Nederland en was getuige van twee wereldoorlogen. 'Hij was boven alles melancholiek; hij droeg een diep pessimisme met zich mee', zegt Paul Scheffer over zijn grootvader.

De levende Herman Wolf heeft hij nooit gekend: Wolf overleed in 1942 aan kanker. Maar de schim van Herman Wolf kleurde zijn jeugd. In het huis van zijn oma aan de Amsterdamse Harmoniehof was hij altijd aanwezig. 'Al sprak mijn grootmoeder nooit over hem - ik denk dat het gemis voor haar te groot was. Die dood was natuurlijk een catastrofe, midden in de oorlog, hij was nog maar 49 jaar oud. Na zijn dood werd wel gezegd dat de ziekte hem voor erger had behoed, voor de onvermijdelijke deportatie: hij was Joods en was al in 1941 als leraar ontslagen. Mijn grootmoeder was een aantrekkelijke vrouw, maar ze heeft nooit meer naar een andere man omgekeken. De voorkamer was een soort schrijversmuseum, in dat huis stond alles nog zoals hij het had achtergelaten, tot en met de pennen in een bakje op het bureau. Het was er altijd een beetje schemerig.'

Voor de jonge Scheffer was de aanwezige afwezige grootvader een voorbeeld, veel meer dan zijn vader die architect was. 'Op een onderhuidse manier, onuitgesproken werd me dat beeld wel voorgehouden. Dat ik op mijn 18de filosofie ben gaan studeren, had zeker met mijn grootvader te maken. Toen ik in 1972 eindexamen deed, kreeg ik van mijn oma zijn Inleiding in de filosofie en wijsbegeerte, met alle handgeschreven correcties van hem erin, én met een opdracht van haar waarin de continuïteit werd benadrukt.'

Twintig jaar geleden bedacht Paul Scheffer dat hij een boek over zijn grootvader moest maken. Vier jaar geleden begon hij er eindelijk aan te schrijven en op 7 november ligt het in de winkel. Vermoedelijk is het zijn belangrijkste boek, al kun je dat op je 59ste nooit helemaal zeker weten.

Waarom moest het twintig jaar duren?

'Ik denk dat je een bepaalde rust moet hebben gevonden voordat je je kunt openstellen voor het leven van een ander, met alle van de hak op de tak-bewegingen die daarbij horen. Hiervoor was ik zelf nog veel te veel op zoek om me te kunnen openstellen voor de onrust van zijn leven. Plus: hij was een zwaarmoedige man, en ik denk dat het mezelf eerder aan ervaring ontbrak om dat te kunnen doorgronden. Op een gegeven moment schrijf ik dat de kern van ouder worden misschien wel is dat je de angsten van de vaders begrijpt. Als je jong bent, erger je je daaraan en wil je zelf krachtiger en zelfbewuster in het leven staan.'

Tijdens het schrijven van Alles doet mee aan de werkelijkheid ontdekte Scheffer hoezeer allerlei biografische feiten uit het leven van zijn grootvader overeenstemmen met die in zijn eigen leven. Beiden gingen op hun 14de het huis uit en naar een pleeggezin, Herman Wolf vooral omdat zijn ouders uit elkaar gingen. 'Maar ik denk dat hij ook niet het gemakkelijkste kind was. Het was een jeugd met ingrijpende veranderingen, eerst die immigratie, later dat nieuwe gezin. Ik begreep heel goed hoe het is om een plek te verwerven in een pleeggezin, waar de liefde van de ouders in eerste instantie naar de eigen kinderen gaat.'

Zelf ging Paul, jongste van drie kinderen, het huis uit omdat hij op de middelbare school in Arnhem niet te handhaven was en zijn ouders daarop besloten hem naar de Kees Boekeschool in Bilthoven te sturen. 'Ik was onmogelijk, een blowende puber. Het was de leeftijd, het was ook de tijd. Man, we barstten uit ons vel, eind jaren zestig, en op zo'n traditionele school zorgde dat voor problemen. '

Wat deed jij waardoor je niet te handhaven was?

'Nou, bijvoorbeeld een boekentas van drie hoog naar het hoofd van de conrector gooien.'

O.

'Met een herbarium erin. Niet zozeer om die man pijn te doen, meer uit een soort balorigheid - die heel slecht had kunnen aflopen. Schmitz heette die conrector, hij was leraar Duits; misschien dacht ik dat ik na de oorlog nog in het verzet moest. Ik gedroeg me thuis ook vreselijk, ik kan me herinneren dat ik in een woedeaanval twee openslaande deuren helemaal in elkaar heb geschopt, ruitje voor ruitje. Ik had een vrij sterk idee van rechtvaardigheid, en dat idee was vooral dat mij te veel in de weg werd gelegd.

'Mijn vader zei: hij moet naar een kostschool. Maar mijn moeder zei: nee, die jongen heeft juist meer vrijheid nodig. Dat had ze natuurlijk van haar eigen vader geleerd, die had daar een krachtige opvatting over: zijn ideaal was de vrije, autonome mens die een eigen middelpunt ontwikkelt en van daaruit alles naar zich toe trekt dat bijdraagt aan zijn ontwikkeling. Je moet je eigen intuïtie volgen, je eigen gevoel laten spreken. Ik vind dat een prachtig idee over hoe je moet leven.'

Aan het einde van het boek schrijf je dat je zelf niet in reïncarnatie gelooft, maar suggereer je dat je de gelijkenissen tussen jou en Herman Wolf ook kunt zien als een vorm van voortleven.

'Het boek van mijn grootvader dat mij het meest vreemd was, was dat over 'de onsterfelijkheid als wijsgerig probleem'. Ik had me al een stuk gemakkelijker gevoeld als de titel 'de sterfelijkheid als wijsgerig probleem' had geluid. Maar ik dacht wel: waarom ik dit boek per se wilde maken, is omdat schrijven misschien ook wel een niet-religieuze manier is om iets te beweren tégen de sterfelijkheid of vergankelijkheid in. Je hebt de dood, en je hebt ook de vergetingsdood, wat een soort tweede sterven is; maar misschien is er ook wel een andere taal waarin je iets over de grens van leven en dood héén kunt zeggen. Bijvoorbeeld het boekstaven van een leven. Dat heeft met bewaren te maken, ik bewaar eigenlijk alles, ik kan helemaal niks weggooien, mijn moeder had dat ook al en mijn grootmoeder ook. Ik begrijp na het schrijven van dit boek nog meer waarom geschiedenis zo belangrijk is.'

Een deel van de dingen waarmee je grootvader bezig was - reïncarnatie, parapsychologie - doen we tegenwoordig af als spiritueel gelul.

'Die generatie van 1900 stond enorm voor dat soort dingen open. Zielsverhuizing, het leven na de dood, ze vonden het allemaal reuze interessant. Het was in die tijd niet iets marginaals, het was gewoon mainstream; de belangrijkste filosoof/psycholoog van Nederland - Gerard Heymans, hoogleraar in Groningen - was tevens de eerste voorzitter van de Nederlandse afdeling voor parapsychologie.

'De 19de eeuw had de religie vermoord; nu probeerden ze met wetenschappelijke methoden de idee van een leven na de dood te redden. Mijn grootvader richtte met anderen een laboratorium op om met infraroodfotografie het 'ijlstoffelijk lichaam' vast te leggen. In Engeland waren in de jaren tachtig van de 19de eeuw topwetenschappers en belangrijke politici met spirituele zoektochten bezig - en niemand vond dat raar.'

'Uit alles blijkt dat Wolf en zijn generatie veel avontuurlijker zijn dan de veelbezongen generatie van '68', schrijf je.

'Ja, dat vind ik ook echt. Wij denken dat we geïnformeerde burgers zijn en dat we open staan voor allerlei invloeden van buiten. Maar in de kern van onze manier van naar de wereld kijken worden we niet wérkelijk geraakt door inzichten uit andere culturen; we zijn heel erg westers in onze blik. In de hedendaagse filosofie is er aandacht voor de Europese canon en een enkele Amerikaan; voor de oosterse wijsbegeerte is nauwelijks belangstelling.

'De generatie van mijn grootvader, uit het lood geslagen door alle veranderingen van rond 1900 en door de Eerste Wereldoorlog, was rusteloos en voortdurend op zoek. Ze stond daardoor veel opener voor teksten uit het boeddhisme of de Chinese filosofieën dan wij ooit hebben kunnen opbrengen. Voor mij was het echt een eyeopener te zien hoe avontuurlijk en kosmopolitisch die generatie was en hoe die van de jaren zestig met al zijn zelfbewustzijn en dadendrang daarbij verbleekt.'

Zelf heb je altijd met grote stelligheid gezegd dat je niet religieus bent; is dat veranderd?

'Ik heb regelmatig geschreven over religie, in de jaren tachtig over het katholicisme; ik heb nooit neergekeken op godsdienst; en ik heb ook nooit gedacht dat een samenleving opener of beter wordt als mensen minder geloven.'

Maar hoe denk je er zelf over?

'Als God dood is, is het enige wat ons rest de geschiedenis. Geschiedenis is een andere manier om over de grens van leven en dood heen te reiken. Dit boek is voor mij een eigentijdse manier om met religieuze vragen om te gaan. Je zult mij niet snel in devotie aantreffen; maar misschien zijn de boeken die ik om mij heen verzamel wel mijn heiligenbeelden.

'Ik vind het echt jammer dat het Nationaal Historisch Museum is weggezet als uiting van arrogantie of eigendunk, terwijl geschiedenis juist een les is in bescheidenheid. Het zijn doorgaans de winnaars die de geschiedenis schrijven, maar geschiedenis onderstreept ook een filosofie van pessimisme, het laat zien dat niet alleen de redelijkheid deel uitmaakt van de werkelijkheid maar ook de onredelijkheid en irrationaliteit.

'Ik denk graag na over geschiedenis als een manier waarop verschillende waarheden naast elkaar kunnen bestaan en niet tegen elkaar hoeven te worden weggestreept.'

Van Jo Bierens de Haan, een van zijn leermeesters, nam Wolf een idealistische kijk op de wereld over: zonder het richtsnoer van eeuwige waarden is het leven 'zinloos en doelloos en niets meer dan een onsamenhangende hoeveelheid van strevingen'.

'Ik deel die opvatting. Er moet iets boven je staan om je naar te kunnen richten. Het hoort bij de menselijke natuur om naar het hogere te reiken; maar dat hogere hoeft niet iets religieus te zijn.'

Zijn we er in intellectueel opzicht op achteruitgegaan, vergeleken bij de generatie van je grootvader?

'In elk geval niet op vooruit. Maar dat is ook lastig, in de kunst en literatuur, in de filosofie en maatschappijwetenschap bestaat er niet zoiets als vooruitgang; je kunt niet zeggen dat Kant een betere filosoof is dan Spinoza. Vooruitgang is er in allerlei andere domeinen, in de natuurwetenschappen bijvoorbeeld waar je wel kunt zeggen dat de ene waarheid de andere aflost. Maar in het domein waarin mijn grootvader werkzaam was, een domein dat essentieel is voor het begrip van de mens en de samenleving, kun je niet van vooruitgang spreken.

'Het raakte me zeer toen ik las hoe mijn grootvader in 1933 schreef over de tragiek van het humanisme, als een overtuiging die het voortdurend aflegt tegen al die veel krachtiger stromingen die zich beroepen op de concretere symboliek van volk, vaderland, kerk en partij. Hij verweerde zich tegen de terreur in Duitsland na de machtsovername door Hitler, hij geloofde helemaal niet in de neutraliteit die in Nederland werd volgehouden en hij richtte al in de zomer van dat jaar een comité op tegen Hitler.

'Een humanist was in zijn visie ook een pessimist. Iemand die erkent dat de werkelijkheid is opgebouwd uit tegenstellingen: licht en donker, verstand en gevoel, zwart en wit. Je moet het negatieve niet ontkennen, maar aanvaarden dat die tegenstellingen bestaan. De verleiding van een waarheidsmonopolie zou minder groot moeten zijn; als er geen vooruitgang is, kunnen er ook meerdere waarheden naast elkaar bestaan. 'Alles doet mee aan de werkelijkheid' was het levensmotto van mijn grootvader; in de werkelijkheid botsen allerlei verschillende krachten op elkaar.'

En dat inzicht is nog altijd bruikbaar.

'Je ziet nu dezelfde kwetsbaarheid als toen. Het is geen politiek boek wat ik geschreven heb, maar ik zie ook in onze tijd al die verleidingen weer opduiken - van een naar binnen gekeerde houding en een beroep op de eigen identiteit - en je ziet hoe moeilijk het is een idee dat verder reikt dan dat, bijvoorbeeld over Europa, onder woorden te brengen op een manier die weerbaar is en die standhoudt.

'Maar al met al gaat het boek meer over toen dan over nu. Ik ben een ordeningstype en het is mooi om uit je eigen ordening te worden getrokken door het leven van een ander. Ik had eerst een lange epiloog met actuele observaties: die heb ik allemaal weggegooid, ik wilde binnen de horizon van zijn tijd blijven. In die zin heeft het boek mij bevrijd. En het heeft me ook genezen van de idee dat je altijd met het algemene moet beginnen en je niet moet verliezen in details.

'Toen Adri van der Heijden eens werd gevraagd wat de essentie van romankunst was, zei hij: 'Daar kun je veel over zeggen maar je kan het ook kort houden: uiteindelijk gaat het om gouden details en verborgen structuur.' Daar kan ik hem eindelijk gelijk in geven. Het gaat erom alle grondstof die zich aandient in de werkelijkheid, hoe klein ook, te veredelen door haar te doordesemen van ideeën. En dan hoef je niet zo bang te zijn dat je de grote draad verliest. Ik geloof dat elk leven in principe groot genoeg is om te beschrijven, als je het maar kan bezielen. In al het kleine zit een groot verhaal.'

HERMAN WOLF

Schrijver, filosoof en leraar Herman Wolf werd in 1893 geboren als Hermann Wolf, enig kind van de Duitse koopman Simon Wolf en Hermine Heilbut, die zich op 3 juni 1899 bij de vreemdelingenpolitie in Amsterdam met hun 6-jarige zoon meldden. In de loop van het oorlogsjaar 1917 veranderde hij zijn voornaam van Hermann in Herman: 'Voor iemand die zich met hart en ziel verbonden voelt met de Duitse filosofie en literatuur is dat een hele stap', schrijft kleinzoon Paul Scheffer in Alles doet mee aan de werkelijkheid. Aan de hand van Herman Wolf, in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw een redelijk bekend filosoof, schetst Scheffer het portret van een generatie.

undefined

Meer over