Tea Party rommelt na tot in Singapore

Het gebeurt vaak wanneer je in een ander Europees land naar het tv-journaal kijkt of de krant leest: dat je wereldbeeld enigszins kantelt, niet alleen omdat het binnenlandse nieuws anders is, maar ook omdat de buitenlandse berichtgeving andere prioriteiten en accenten kent. Ik ben een paar dagen in Singapore, en hier is het Nederlandse gezichtspunt helemaal achter de horizon verdwenen.

Nu is dat natuurlijk niet zo vreemd, maar opmerkelijk is wel dat eigenlijk heel Europa een schimmig punt in de verte is. Ook in gesprekken met mensen die duidelijke belangstelling voor de ontwikkelingen in de wereld hebben, komt Europa hooguit als een epiloogje aan de orde, en de toon krijgt dan al snel iets meewarigs. Europa, dat is in Zuidoost-Aziatische ogen praktisch synoniem met de Griekse crisis die almaar voortwoekert en die tevens een beetje een Portugese en een Ierse crisis is en die binnenkort allicht ook een Italiaanse crisis wordt. What a mess.

Nu is het niet zo dat het nieuws hier volledig onherkenbaar is. Ook The Straits Times, de enige algemene krant van Singapore, publiceerde donderdag de foto van de zieke Hosni Mubarak in zijn kooi voor de rechtbank. Maar voor Syrië was de animo van de krant een stuk minder. Het buitenlandse nieuws dat verreweg de meeste aandacht kreeg, kwam uit de eigen regio: het oplaaien van het conflict over de territoriale rechten in de Zuid-Chinese Zee, waar de Filipijnen naar olie- en gasvoorraden willen boren op een plek die China eveneens claimt. Het Chinese Volksdagblad publiceerde deze week een scherp commentaar, dat de regering in Manila waarschuwde dat ze een 'hoge prijs' zou betalen als ze zou volharden in haar 'strategische misrekening'.

Het Chinees-Filipijnse geschil staat niet op zichzelf. Ook Vietnam, Maleisië en Brunei menen rechten te hebben in de Zuid-Chinese Zee, die door China allemaal niet worden erkend. Peking wil die conflicten het liefst allemaal apart bespreken. Maar de betrokken Zuid-Oost-Aziatische landen beseffen maar al te goed dat de bilaterale aanpak in hun nadeel is. Elk apart staan ze immers op voorhand zwakker tegenover het veel grotere en militair sterkere China. Daarom heeft de ASEAN, het samenwerkingsverband van tien Zuidoost-Aziatische landen, gepleit voor een multilaterale oplossing van de diverse conflicten. En ze hebben daarvoor de steun gevraagd en gekregen van de enige mogendheid die de nodige militaire rugdekking kan geven: de Verenigde Staten. (Saillant detail: het land dat het hardst heeft gelobbyd bij de VS was Vietnam.)

De kwestie illustreert de ambivalente houding die velen in Zuid-oost-Azië hebben ten opzichte van China. Aan de ene kant is er grote bewondering voor de spectaculaire economische vooruitgang, waarvan deze regio ook de vruchten plukt. Maar er wordt ook gevreesd voor een herleving van oude imperiale reflexen naarmate de Chinese macht toeneemt. De ongenaakbaarheid die Peking de laatste tijd tentoonspreidt bij de conflicten over de territoriale wateren (ook met Japan) wakkert die argwaan alleen maar aan. En maakt dat de grote Amerikaanse maritieme aanwezigheid in de Pacific eens te meer als een welkome inboedelverzekering wordt gezien, al zal dat op regeringsniveau zelden worden uitgesproken.

Maar hoe solide is die verzekering eigenlijk? Die vraag wordt allerwege gesteld na de uitputtende slag die in Washington is geleverd over de beteugeling van de staatsschuld. Met verbijstering is juist ook hier gadegeslagen hoe de politieke besluitvorming vastliep en Washington bijna zichzelf de das omdeed. Iedereen die ik ernaar vroeg, zei hetzelfde: dit is een teken van bederf. Een vooraanstaande intellectueel in Singapore zei zelfs: een supermacht op zijn retour.

Natuurlijk speelt voor Zuidoost-Aziaten allereerst de machtsvraag: heeft een mogendheid die zulke grote financiële problemen heeft en zo zeer ten prooi is aan verdeeldheid, nog wel de wil en de kracht om, als het nodig is, pal te staan voor haar bondgenoten in de internationale arena. Maar ook het Amerikaanse morele gezag is in het geding. Ondanks de bittere herinnering aan de Vietnamoorlog hebben de generaties die in de jaren tachtig en negentig tot wasdom zijn gekomen in Zuidoost-Azië, de VS omarmd als vaandeldrager van vooruitgang en democratie. Dat aanzien heeft door de politieke wanvertoning in Washington behoorlijke schade opgelopen.

Het effect daarvan mag niet worden onderschat. Zoals George Kennan, een van de architecten van de naoorlogse buitenlandse politiek van de VS, vijftig jaar geleden schreef: de Amerikaanse invloed in de wereld 'is vooral afhankelijk van wat we van onszelf vragen. Beslissend zijn de geestkracht en de doelgerichtheid van ons nationale leven'. Maar ja, dat zijn woorden die niet zijn besteed aan de scherpslijpers van de Tea Party.

Reageren? p.brill@volkskrant.nl

undefined

Meer over