Te vroeg voor allochtone intelligentsia

Uit allochtone hoek dringt weinig door tot de discussiefora, waardoor het debat niet op gelijkwaardige wijze wordt gevoerd, vindt Mohammed Benzakour....

Mohammed Benzakour

IN de bange tijden dat de autochtone intellectuele voorhoede in de ban lijkt van de verschrikkingen van de multiculturele samenleving kan men een roep horen die almaar luider klinkt. Een roep die temidden van de perikelen rond imam el Moumni zijn climax bereikte; men was verontwaardigd over de afwezigheid van 'de migranten-intelligentsia', die de zaaiers van morele paniek (lees: imams) van repliek moesten dienen.

Zo sprak Bas Heijne zijn verontwaardiging uit over het feit dat vrijwel geen enkele allochtone intellectueel was opgestaan die 'de onmogelijke kloof tussen de letter van de Koran en de sociale werkelijkheid ter discussie stelt'. Pleitbezorgers van het nieuwste 'transnationalisme', onder wie Chris Keulemans, zijn van mening dat 'migranten-intellectuelen het massaal laten afweten, tenzij ze optreden als belangenbehartigers van hun etnische groep'. En Paul Scheffer betreurde in NRC Handelsblad het 'besmuikte zwijgen van al die Turkse, Marokkaanse of Surinaamse schrijvers en intellectuelen'.

Opvallend aan dit Hollandse J'accuse is in elk geval dat het slechts opklinkt bij kwesties die omgeven zijn door de onwelriekende zweem van allochtoniteit c.q. islam. Het zou ten eerste aan sympathie en ten tweede aan overtuiging winnen als het ook zou opklinken bij andere ons allen aangaande vraagstukken zoals het milieu, euthanasie, gentechnologie of de vaste boekenprijs. Al is het alleen maar om het aanzien van het debat te kleuren.

Laat ik meteen toegeven dat genoemde voorhoedesprekers het gelijk aan hun zijde hebben. Stellig, uit allochtone hoek zijn te weinig nieuwe en spraakmakende gezichten die doordringen tot de betere discussiefora en die kunnen waarmaken dat het debat op gelijkwaardige toon wordt gevoerd.

De vraag is hoe dat toch komt.

Laten we daarvoor kijken naar de geschiedenis van de arbeidsmigranten, en met name de Turkse en Marokkaanse groepen in Nederland. Antillianen en Surinamers kennen vanwege hun (gedeeltelijk) gemeenschappelijke taal, religie en geschiedenis met Nederland een andere positie.

Onder de eerste generatie arbeidsmigranten was vrijwel iedereen ongeschoold en analfabeet. Uit economische motieven zijn ze naar Europa gehaald om de vuile klussen op te knappen. Ze kwamen eerst terecht in pensionkamertjes en later in de klassieke volkswijken en arbeidersportieken, welke tegenwoordig vooral als speerpunt van gettobestrijdingsbeleid gelden. Een deel van het kroost heeft kans gezien deze treurnis en ellende, die tot veel maatschappelijke ontsporingen heeft geleid, te ontvluchten door te gaan studeren, zodat zich nu, dertig jaar later, de eerste tekenen voordoen van een 'etnische middenklasse'. Niettemin toont onderzoek aan dat deze groep zich grosso modo nog altijd achtergesteld voelt, niet zozeer materieel als wel moreel.

Dat heeft verschillende psychologische en sentimentele redenen, die door de weinig gezegende kwalificatie 'allochtoon' nog eens in spraak en schrift tastbaar worden gemaakt. Deze klasse kent de vaderlandse geschiedenis en ziet dat ouders, familieleden en lotgenoten slechts mondjesmaat geprofiteerd hebben van dertig jaar groei in Nederland en Europa, en ze bemerken de weerslag van de economische bloei doorgaans in een grotere tegenstelling tussen arm en rijk, zwart en blank, en actueler: moslim en niet-moslim. De meerderheid klampt zich vast aan de eigen groep omdat ze zich gegriefd voelt vanwege onbegrip, generalisaties en raciale vooroordelen. Zie daarvoor alleen maar de laatste kwesties.

De wijze waarop na de afgelasting van Aïsja alle moslims werden gedemoniseerd door de Nederlandse intelligentsia en politici, de hoon en afwijzing waarop meiden met een hoofddoek kunnen rekenen, de wijze waarop de Nederlandse regering in het kader van onderzoek naar bijstandsfraude is omgegaan met haar Marokkaanse ingezetenen (dreigen met stopzetting van de kinderbijslag), de wijze waarop half Nederland gevallen is over imam el Moumni, dit alles versterkt dat gevoel van gegriefdheid en wantrouwen en schept een klimaat dat het ontstaan van een zelfkritisch en onpartijdig intellectueel kader uit allochtone hoek weinig bevordert.

Bovendien, in gemeenschappen die worstelen met conflicterende loyaliteiten, zoals met name bij Marokkanen en Turken, ligt dit extra lastig. Niemand schept er behagen in onder zijn medemensen te leven als 'verrader', als een paria, ook de intellectueel niet. Hoe dan ook, velen voelen zich geremd, onthand en dwarsgezeten om vrijmoedig voor zich uit te spreken. Misschien zouden ze niets liever dan de achterlijke imams aanklagen, eerwraak belachelijk maken, migrantenorganisaties als corrupte bendes ontmaskeren, hoofddoekdragers als huichelachtig, huizenbezitters als profiteurs en moslims als paranoïde kunstbarbaren bestempelen, die anderen de schuld geven van hun eigen gebrek aan respect, talent en verdraagzaamheid. Maar het wordt de allochtone intelligentsia, voor zover die bestaat, onmogelijk gemaakt. Vanwege het defaitisme en hun publieke veroordeling tot de uitgeworpenen van de samenleving worden ze in de verdediging gedwongen of monddood gemaakt. Een 'besmuikt stilzwijgen' als vorm van protest is immers een makkelijke manier om solidariteit met de eigen groep te betuigen.

Maar er speelt een andere factor mee, en die ligt meer op het vlak van kunnen dan willen. Terugkomend op die etnische middenklasse: statistieken wijzen erop dat veruit het merendeel van de 'succesvolle allochtonen' commerciële en sterk arbeidsmarktgerichte studies hebben gekozen, die garant staan voor een florissante carrière. Dit is niet zo vreemd als men bedenkt dat de armoede waarin hun ouders hebben geleefd nog duidelijk op hun netvlies staat. Deze generatie heeft, niet ten onrechte, gedacht: 'als we dan toch kunnen studeren, laten we ons dan toeleggen op een studie die bij onze omstandigheden past', zodat men zich inschreef aan de faculteiten bedrijfskunde, boekhoudkunde, economie, management en notarieel recht. Van deze studies kan men moeilijk verdedigen dat ze de meest adequate bagage bieden voor het intellectuele debat, zeker niet als het in dat debat gaat om kwesties van een hoog existentieel en filosofisch gehalte.

Zaken als identiteit, geloof, moraal, kunst en cultuur, recht, vrijheid, etniciteit, loyaliteit etc. vragen om een andersoortige kennis - met een accountantsbul kom je er niet. Ze vereisen een grondig onderricht in alfa-disciplines als filosofie, politicologie, sociologie, cultuur- en godsdienstwetenschappen, ethiek, letteren etc. Studies die in dit tijdperk nauwelijks aanzien genieten en niet onmiddellijk geassocieerd worden met het Grote Geld.

Tot slot: polemiek is een kunst, en niet iedereen verstaat haar. Niet iedereen is een W.F. Hermans. Elk van ons kan iets waars zeggen, maar om het met elegantie, eruditie, eloquentie, geestigheid, eigenzinnigheid, noem het esprit, te doen, is maar weinigen gegeven. Het intellect is een stijlfiguur, misschien zelfs een aangeboren instinct. Een instinct waar Marokkaanse en Turkse bestuurders en voormannen jammerlijk van zijn verstoken; zij maskeren zich liever als erkend gezagsdrager of multicultureel expert (wat dat ook moge inhouden), dan ronduit toe te geven dat zij noch het een noch het ander zijn zonder tussenkomst der staatssubsidies. Ze gedragen zich strikt volgens de multiculturele stadsetiquette en verschuilen zich dankbaar achter de Taal van de Minderheid, welke hun bijgebracht is door opbouwwerkers of, zoals Stephan Sanders in Vrij Nederland opmerkt, op de sociale academie. Respect, tolerantie, diversiteit en andere burgermansidealen; een keurig vocabulaire, en probaat voor beleidsnota's, maar detonerend en weinig opwindend op het intellectuele podium. En dáár ging het nu juist om.

Een intellectueel kader is geen mirakel, het is geen panacee, maar het is bovenal niet los te denken van de maatschappij waarin het zich al dan niet manifesteert. De roep om een 'allochtoon intellectueel kader' is daarom behalve voorbarig, ook gespeend van werkelijkheidszin. De hordes 'succesvolle allochtonen' ten spijt, voor een Marokkaanse Du Perron of een Turkse Ter Braak is het eenvoudigweg te vroeg. We zullen het voorlopig vooral moeten doen met wat gestamel aan de zijlijn.

Meer over