Te veel grammatica voor twee handen

De gebarentaal die doven gebruiken, heeft een eigen grammatica. Maar promovenda Ingeborg van Gijn werd uitgelachen toen ze ingewikkelde zinnen probeerde te vertalen in gebaren....

Eerst maar even voor de goede orde: de Nederlandse gebarentaal (NGT) kent zijn eigen grammatica, die niet synchroon loopt met die van gesproken Nederlands. Zoals de grammatica van het Chinees niet hetzelfde is als de onze. Je kunt erin lachen en huilen, prijzen en vloeken: in gebarentaal kun je even emotioneel uitpakken als in gesprokentaal. Als het goed is, is er ook alles in bespreken wat in spreektaal aan bod komt.

Maar welke taalstructuren doven daarvoor gebruiken? Taalkundigen zouden het niet weten. De wetenschappelijke kennis over de NTG is uitermate gebrekkig. Het onderzoek naar de structuur van de gebarentaal kwam pas in de jaren tachtig schoorvoetend op gang.

Van de NGT zijn tot nu toe vooral eigenschappen in kaart gebracht die niet voorkomen in gesproken taal. Zaken zoals de 'gebarenruimte': de halve bol van ruimte die doven gebruiken rond hun bovenlichaam om te gebaren. En betekenisdragende elementen zoals de duur van een gebaar, de handvorm, en het verschil tussen wijzen op de ene plek binnen de gebarenruimte of op de andere.

Taalkundigen omschreven eerder al verschillen zoals luid schreeuwen en fluisteren in gebarentaal, en de rol die gelaatsuitdrukkingen spelen.

Duidelijk is dat in gebarentaal gewone enkelvoudige zinnen mogelijk zijn, simpele zinnen van het type: 'Ik wil een cadeau aan jullie geven.'

Volgens de ouderwets schoolgramaticais ik daarin het onderwerp, wil geven het gezegde. Een cadeau: lijdend voorwerp. Aan jullie: meewerkend voorwerp. Maar kun je in gebarentaal ook een wat lastiger zin maken? Een samengestelde zin als: 'Ik wil dat jullie mij een cadeau geven', bijvoorbeeld.

Het zelfstandige stukje dat jullie mij een cadeau geven is een ingebedde lijdendvoorwerpszin, die ondergeschikt is aan het ik wil in de hoofdzin. Taalkundige dr. Ingeborg van Gijn onderzocht of dit soort samengestelde zinnen in gebarentaal volgens doven grammaticaal is. Ze promoveerde donderdag aan de Universiteit van Amsterdam op haar onderzoek.

Wat Van Gijn wil weten: kent gebarentaal lijdendvoorwerpszinnen? En zo ja: staan die dan in ondergeschikte zinnen, of in nevengeschikte? Je kunt de betekenis van bovenstaande zin namelijk ook verwoorden door twee enkelvoudige zinnen naast elkaar te zetten: 'Ik wil een cadeau en jullie geven het aan mij.' Dat soort inzichten is nodig om op den duur te kunnen onderzoeken of andere ingewikkelde zinnen ook grammaticaal zijn in gebarentaal.

Onbekend is echter of de NGT bijvoorbeeld een zin kent als 'Ik zou hebbengewild dat jullie een cadeau aan mij zouden hebben gegeven'. Natuurlijk, je kunt die werkwoorden als hardop-spreker van het Nederlands allemaal achter elkaar gebaren. Alleen is niet duidelijk of je dan een zin maakt die volgens doven ook echt correct en te volgen is, die dus in gebarentaal grammaticaal is.

Van Gijn heeft daarom voor haar onderzoek naar onderschikking derde generatie moedertaalsprekers van de NGT gebruikt als proefpersonen: doven wier ouders en grootouders ook al doof waren, en die van kindsbeen af zijn opgegroeid met gebarentaal.

Die mensen bestookte ze voor een videocamera met voorbeeldzinnen met inbedding erin: als ik dit doe, begrijp je me dan, is het in gebarentaal correct, en kun jij wat ik zojuist gebaarde reproducerenop de manier die volgens jou correct is.

Zo bekeek ze of zinsconstructies zoals lijdendvoorwerpzinnen in gesproken Nederlands ook voorkomen in gebarentaal. Zeer geregeld lachten de proefpersonen Van Gijn uit, omdat ze met rechtstreeks vanuit het Nederlands vertaalde zinnen in gebarentaal onzin uitkraamde.

Van Gijn zocht dus naar inbedding van ondergeschikte lijdendvoorwerpszinnen in hoofdzinnen: 'Ik wil dat...'.

Simpel zou zijn geweest gewoon te zoeken naar het woordje 'dat' in de 'gebaarde' taal. Het probleem is echter dat doven het gebaar voor 'dat' helemaal niet toepassen als onderschikkend voegwoord in samengestelde zinnen.

Of onderschikking voorkomt in een taal, kan worden aangetoond door een partje te nemen van wat in een taaluiting de mogelijke bijzin is, en daarvan een vraag te maken. Het element dat je op deze manier bevraagt, schuift dan naar voren in de zin. 'Gisela wil dat ik haar een snoepje geef' wordt dan : 'Wat wil Gisela dat ik haar geef?' Is deze verschuiving grammaticaal, dan is sprake van onderschikking.

Zo kwam Van Gijn tot een merkwaardige ontdekking. Onderschikking van lijdendvoorwerpszinnen bestaat weliswaar in de NGT. Maar het verschijnsel is met deze universele test alleen aan te tonen in combinatie met een beperkt aantal werkwoorden: willen, zien, leuk vinden, doen alsof en weten.

Ook probeerde Van Gijn dieper te tasten dan de enkelvoudige onderschikking. Ze probeerde zinnen uit zoals: 'Ik wil dat zij zegt dat Jan doet alsof Piet een cadeau aan mij geeft.' De dove proefpersonen beginnen dan te zuchten: niet-taalkundigen, dus zowel horenden als doven, stelt Van Gijn, zijn zich totaal niet bewust van de grammatica van hun taal. Voor doven is dat een extra handicap, omdat er over de structuur van gebarentaal nog nauwelijks iets ter bestudering op papier staat. Ze zijn mede daarom niet gewend erover na te denken.

Van Gijn: 'Het blijkt zo extreem ingewikkeld de moedertaal-kennis over dit soort zaken aan doven te ontlokken. Toch is dit de enige manier om iets te weten te komen over zo'n taal waarvan de grammatica nog vrijwel onbekend is.

Meer over