Te moe om zo hard te denken

In zijn nieuwste boek Het melancholieke genie neemt emeritus Cees Andriesse afscheid van de echte wetenschap. Omdat hij het nadenken tot de uiterste grens niet meer kan opbrengen....

Boven, op zijn werkkamer in het bescheiden rijtjeshuis in een slaperige buitenwijk in Zeist, heeft hij natuurlijk wel het gebruikelijke metertje documentatie staan. Over Franeker, over Sleeswijk, het eiland , over de patriotten-tijd en de Friese vrijkorpsen, eind achttiende eeuw, over de Friese arts Gadso Coopmans, opstandeling, vluchteling, mafketel ook. 1746-1810.

Alles wist hij ervan, voor hij schrijven ging. Aan De opstand, de vorig jaar bij Contact verschenen roman van Cees Andriesse (65), emeritus hoogleraar natuurkunde en schrijver, vooral bekend van zijn posche biografie van Christiaan Huygens, Titan kan niet slapen.

De opstand is zijn eerste echte roman. 'Literatuur, ja, heel nadrukkelijk literatuur, zonder bronvermelding.'

Nu, een klein jaar later, ligt er Het melancholieke genie. Een titel die zijn redacteur bij Contact voor hem verzon. En die hij aanvankelijk niet wilde, om de simpele reden dat het suggereert dat hij dat zelf is, dat melancholieke genie. Terwijl het natuurlijk over Huygens gaat, over wie anders. Lees maar.

'Uiteindelijk zag ik wel dat het een mooie titel is. Maar ik ben natuurlijk in de verste verte geen Huygens. Mijn belangrijkste werk - tenminste wat ik denk dat mijn belangrijkste werk is - is zo dood als een pier, het wordt nergens meer geciteerd.'

Was De opstand de eerste poging om los te komen van dat oer-serieuze, dat cerebrale dat nu eenmaal diep in Cees Andriesse wortelt, zijn nieuwe boek is weer heel serieus. Een verzameling beschouwingen over zijn wetenschappelijke werk, natuurkunde dus. Over de energieproductie in sterren. De risico's van smeltende kernbrandstof. Over entropie. De temperatuur van een vuur.

En over die andere kwestie: de manier waarop hem bij KEMA de mond werd gesnoerd toen hij luidop twijfelde aan kernenergie na het ongeluk in Tsjernobyl.

Maar met een helder doel: het einde markeren van Cees Andriesse als wetenschapper. Die is klaar. Vanaf nu, schrijft hij in zijn inleiding, rest de vakman nog slechts een rol als dilettant.

Waarmee bedoeld is: hij werkt aan een Engelstalige editie van Titan, die bij Cambridge University Press moet verschijnen. En, als gast op zijn oude Universiteit Utrecht, aan een studie van de rol van uitgevers in de ontwikkeling van de natuurwetenschappen, vorige eeuw. 'Maar ik ben natuurlijk geen echte historicus. Die moeten in de archieven duiken. Vreselijk saai. Niets voor mij.' Het nieuwe boekje staat vol formules. 'Ik kan niet over mijn werk schrijven zonder formules. Die zeggen nu eenmaal het beste wat je zeggen wilt. Ik weet wel dat populaire boeken als die van Stephen Hawking of Gerard 't Hooft juist geen formules bevatten. Maar dat maakt het niet altijd makkelijkerte begrijpen. Sterker, er staan in zulke bestsellers stukken waar ook een fysicus als ik niks van snapt. Van Hawking zijn er honderdduizend verkocht.' Maar elke formule zou het publiek halveren, zeggen uitgevers in het populair wetenschappelijke genre. 'Vast. Maar daar zit wel ergens een ondergrens aan. Er is een kleine groep lezers die dit juist geweldig vindt. Dat is mij dan genoeg. Ik ben bescheiden.' Is wiskunde dan de crux van natuurkunde? 'Integendeel, ik vind het onzin dat jonge mensen wordt afgeraden om een natuurwetenschap te gaan doen als ze geen kei in wiskunde zijn. Natuurlijk gaat het bij natuurkunde om het fysische inzicht: je ten volle realiseren wat er gaande is, waar je naar kijkt. Dat moet er eerst zijn.'

Een kwestie van intue? 'Ik denk dat mijn fysische werk uit de muziek is voortgekomen, mijn muzikaliteit is daar gesublimeerd. Want vergis je niet hoeveel emotie het kost om een theoretisch argument rond te krijgen. Mij althans. Dat slopende denken is pure emotie. Je moet erin opgaan om structuren en verbanden te horen en begrijpen.'

U overwoog ooit componist te worden. 'Jawel. En het is een wijs besluit geweest dat niet te doen. Een te gering talent. Voor de uitvoering, althans, ik ben vooral een groot luisteraar. Tegen wil en dank, er zijn momenten dat ik wegvlucht uit de concertzaal. Omdat het me gewoon te veel wordt, emotioneel.' Zoals nu de natuurkunde te veel wordt? 'Ik denk weleens dat mijn carri in de fysica een sublimatie is geweest van die hang naar muzikaliteit. En vergis je niet, hoe emotioneel slopend het is om in een stuk theorie een doorbraak te bereiken. Bij mij althans. Ik moet me dan helemaal afzonderen, hoor en zie niks meer, en draai maar om het probleem heen. Omdat je weet dat er een doorgang is. Maar waar? Na afloop is er uitputting.'

En dat gaat niet meer? 'Ik ben nu vijfenzestig jaar oud. Ik kan het niet meer opbrengen. Ik ben te moe om nog eens zo hard te denken, letterlijk.'Maar is te besluiten dat je niet meer door een vraagstuk gegrepen wilt worden? 'Ja, want het is alles of niets. Ik heb nog wel ideedie de moeite waard zouden zijn om echt aan te werken. Maar daarvoor moet je veertig zijn, en op het hoogtepunt van je kunnen. Dat is wat ik me ben gaan realiseren.'

Op die leeftijd zat u bij KEMA, middenin eindeloze ruzies over uw openheid over de gevaren van kernenergie. 'Achteraf gezien is dat verspilde tijd geweest. Tijd die je nooit meer terugkrijgt en waarin je geweldige dingen had kunnen volbrengen. Dat moet ik overigens vooral mezelf verwijten. Toen ik koos voor Arnhem verklaarden mijn vrienden me voor gek: wat moest ik tussen die ingenieurs? Ik had in elk geval eerder moeten weggaan.'

Een grote maar ongedurige geest? 'Wat ik aanpakte, lukte vaak wonderwel. Ik heb niks te klagen gehad: verdienstelijke natuurkunde was het allemaal. Maar ik heb me mijn hele carri nog nooit ergens helemaal thuis gevoeld. Niet in Delft, als student. Niet in Groningen, als enige fysicus tussen astronomen. Niet bij KEMA. Niet in Utrecht, als hoogleraar, al kwam dat er aardig dichtbij. En achter de piano weet ik toch ook vooral hoeveel er schort aan mijn techniek.'

Somber. 'Misschien is de natuur mijn thuis. Mijn vrouw en ik wandelen graag. Gewoon hier in de bossen, of met de auto wat verderop. Zij loopt en praat, over wat ze ziet aan plantjes en beestjes, en ik kijk wel naar wat ze me wijst. Maar werktuiglijk, als ik eerlijk ben. Zij is samen, ik ben alleen.'

Waar zit Cees Andriesse dan wel met dat grote witte hoofd van hem? 'Bij wat er in het landschap om ons heen gebeurt. Het stromende zonlicht. De plooiende aarde. Een waterspiegel in de wind. Dat is mijn Friese jeugd, denk ik.

'Ik ben met mijn gedachten bij de regels en wetten die achter die verschijnselen zitten. Dat ze bestaan, zulke regels en wetten, en dat wij er een beetje van kunnen begrijpen, dat zijn de echte wonderen.'

Meer over