Tariq Ramadan wil omgekeerde integratie

De uitspraken van Tariq Ramadan over integratie zijn, hoewel hij daar zelf anders over denkt, niet mis te verstaan: scholen moeten islamiseren, stelt Simon Admiraal....

Een van de bekendste moslimtheologen, de Rotterdamse gasthoogleraar Tariq Ramadan, heeft de inleiding van Frits Bolkestein aan het begin van hun debat op 11 september (Forum, 12 september) opgevat als een persoonlijke aanval. Hij verdedigde zich (Forum, 20 september) door de herkomst van de citaten ter discussie te stellen. Bolkestein zou die van het internet en uit een boek hebben gehaald ‘waarin ik word bekritiseerd en dat meer dan tweehonderd feitelijke fouten bevat’.

Dit moet wel Frère Tariq zijn van Caroline Fourest uit 2004. In Ramadans nieuwste boek Een jihad van vertrouwen noemt hij alleen Fourest bij naam. In een lange noot zegt hij: ‘achter deze zogenaamde journalist (...) houdt zich een activiste schuil die zich inzet voor een heel dogmatische en antireligieuze secularisering; ze zet zich in voor een eenzijdig en paternalistisch westers feminisme; als lesbienne verdedigt ze de rechten van homoseksuelen en levert ze kritiek op de religies die deze rechten volgens haar in gevaar brengen en in haar steun aan de Israëlische politiek geeft ze blijk van het meest verblinde zionisme’.

De gedegen studie van Fourest is gebaseerd op zijn boeken en de vele cassettes met stichtelijke toespraken die verspreid zijn door boekhandel Tawhid in Lyon. Sommige zijn te beluisteren op tariqramadan.com.

‘Bolkestein heeft op het net gesurft’, schrijft Ramadan. Alsof daar iets mis mee is. Daar staat bruikbaar bronnenmateriaal. Op YouTube staan bijvoorbeeld gefilmde lezingen van Ramadan. Ik bekeek er een die hij op 4 januari hield in het Marokkaanse Oujda, verzameld door iemand die zich ‘franceislam’ noemt. Hij spreekt daar zijn eigen mensen toe, in het Frans, doorspekt met Arabische theologische termen. Vrijuit.

Daarin zegt hij dat er voor hem maar één islam is en dat de principes ervan geldig blijven voor alle tijdperken en alle samenlevingen.

Dat ook zij die de grondteksten letterlijk toepassen er volledig bijhoren – hij maakt geen uitzondering voor de radicale broeders (‘Er is maar één sharia, één weg voor alle moslims, maar we lopen allemaal in ons eigen tempo’).

Dat hij nog steeds Egypte in mag en daar besprekingen met schriftgeleerden gevoerd heeft.

Dat voor hem het principe van de hoofddoek niet ter discussie staat maar dat nieuwe tijden vragen om nieuwe kleuren en nieuwe stoffen.

En dat de belangrijkste les is terug te keren naar ‘de absolute waarheid van de koran en overgeleverde uitspraken van Mohammed om uit te vinden wat wij van de diverse hedendaagse culturen kunnen integreren in de islam’.

Deze omgekeerde manier van integratie verwoordt hij in zijn boek Westerse moslims en de toekomst van de islam nog kernachtiger met de mededeling dat ‘wij alles als islamitisch beschouwen wat zich niet verzet tegen de islam’. Hij maakte deze opmerking in zijn paragraaf over de opkomst van een islamitisch feminisme. Op dat terrein ziet hij een rol weggelegd voor de islam die, naar hij hoopt ‘uiteindelijk leidt tot een ander beeld van de westerse vrouw, modern, autonoom en toch door en door islamitisch. Het zal niet het klassieke beeld zijn van de bevrijde westerse vrouw’.

Ramadan noemt zichzelf graag een activistische hoogleraar, die voortdurend contact zoekt met ‘het veld’ waar zijn eigen mensen, de regelmatig praktiserende moslims, samenleven met andere burgers van dit land. In Een jihad van vertrouwen laat hij in de paragraaf over ‘culturele’ moslims (een groep die duidelijk niet zijn zegen krijgt), hervormingsgezinden en letterknechten zijn licht schijnen op deze tweede groep. De hervormingsgezinden zijn degenen die trouw blijven aan de absolute waarheid van de islam en die er nieuwe kleur aan kunnen geven.

Wil je de missie van Ramadan begrijpen, dan is het verstandig die paragraaf goed te bestuderen. De hervormingsgezinden krijgen hier van hem opdrachten mee, ze zijn niet vrij maar ‘moeten’ van alles. Bovenal moeten ze een ‘transformatiekracht’ worden die zich niet langer aanpast aan de seculiere samenleving maar die deze transformeert, vervormt dus. De belangrijkste plek waar dit moet gebeuren, zegt hij keer op keer, is het onderwijs. In Westerse moslims noemt hij de noodzakelijke stappen om het openbare onderwijs te ‘transformeren’ als alternatief voor de islamscholen die veel te weinig moslimkinderen kunnen plaatsen en die niet goed functioneren, zoals hij in Oujda uitlegde.

De ideeën van de Amsterdamse stadsdeelvoorzitter Ahmed Marcouch om meer islam toe te laten in het openbare onderwijs passen perfect binnen deze strategie. Er wordt in ‘het veld’ goed naar de hoogleraar geluisterd.

Meer over