Taal struikelblok voor Antilliaanse jongeren

Een inventarisatie leert dat de oplossing van het probleem van de laaggeschoolde Antilliaanse jongeren een zaak van lange adem is....

Ger Jan Onrust

In de discussie over de problemen die Antilliaanse jongeren in Nederland veroorzaken, wordt, zoals vaak bij maatschappelijke problemen, het onderwijs als oplossing naar voren geschoven. Bart Top vindt dat er een programma van scholing in het Engels, Spaans en Nederlands op de Antillen moet komen (Forum, 9 oktober). Het resultaat hiervan zou zijn dat jongeren de mogelijkheden krijgen om zich kansrijk te vestigen in een van de koninkrijksdelen, de VS of Zuid-Amerika. De praktijk is dat al een behoorlijk deel van de Antilliaanse bevolking in een van de genoemde talen is geschoold en dat deze mensen op de Antillen of in Nederland prima functioneren.

De groep die Top wil bereiken - die nu met een beperkte scholing de Antilliaanse of Nederlandse arbeidsmarkt op komen - zal zeker niet profiteren van dit programma. Het onderwijs op Curaçao - ik beperk mij tot dit eiland - heeft grote problemen. Een zeer groot deel van de leerlingen bereikt de zesde klas van het basisonderwijs niet zonder een of meer jaren te doubleren. In het voortgezet onderwijs, met name in het technisch onderwijs en in het beroeps voorbereidend onderwijs (vergelijkbaar met het Nederlandse vbo) zijn er vele vroegtijdige schoolverlaters.

Veel leerlingen die na hun mavo-diploma ook het havo-papiertje willen halen, bereiken dit niveau niet. Wat het onderwijs niet doet - zoals Top insinueert - is de Curaçaoënaars 'opleiden' tot analfabeten. Onderzoek mag hebben aangetoond dat meer dan 20 procent van de bevolking functioneel analfabeet is, maar dat geldt de hele bevolking. En dan vooral de ouderen.

Als analfabetisme echter wil zeggen dat schoolverlaters de officiële schooltaal (het Nederlands) niet voldoende beheersen, dan heeft Top gelijk. Je kan zelfs stellen dat een flink deel van de Curaçaose bevolking de eigen taal - het Papiamentu - in ieder geval schriftelijk niet goed machtig is. Dat kan ook haast niet anders want het overgrote deel van het lesmateriaal is in het Nederlands gesteld.

Met de taal is een van de belangrijkste oorzaken van het zogenoemde lage niveau van het Curaçaose onderwijs genoemd. Waar de taal in huis, op straat en op de schoolpleinen het Papiamentu is, moet het onderwijs het doen met het Nederlands. De praktijk op scholen in het basis- en in mindere mate het voortgezet onderwijs is dan ook dat regelmatig in de eigen taal wordt les gegeven of in ieder geval geholpen. Desondanks kan die vreemde taal, die het Nederlands is, leerlingen behoorlijk frustreren. Zodanig zelfs dat zij (mede) daardoor afhaken.

De taal is natuurlijk niet de enige oorzaak. Andere voor de hand liggende oorzaken zijn de geringe welvaart bij bepaalde delen van de bevolking (zonder ontbijt is het niet goed leren), de lage opleidingsgraad van vele ouders (als er thuis al een vader is die die rol ook op zich neemt) en het geringe perspectief dat de arbeidsmarkt al jaren biedt (waarom naar school als die toch alleen tot werkloosheid leidt?). Deze korte opsomming leert dat de oplossing van het probleem van de laag- of ongeschoolde Curaçaoënaars een zaak van lange adem zal zijn.

Top gaat in zijn artikel ook uit van een gebrek aan leerkrachten op Curaçao. Hoewel met name de grootste werkgever in het onderwijs op Curaçao, het Rooms-Katholiek Schoolbestuur, graag wat meer speling wil hebben (kunnen ze de gepensioneerden die voor de klas staan eindelijk daadwerkelijk hun pensioen geven), lijkt de situatie in Nederland op dit moment net zo nijpend. Dat Nederlandse onderwijsinstellingen tegenwoordig voorzichtige pogingen doen om Antilliaans personeel te strikken, is natuurlijk niet bevorderlijk voor de bezetting in de klas.

Een ding zou de overheid wel op korte termijn kunnen bewerkstelligen: de uitbreiding van de onderwijstijd. Curaçao kent een 'permanent tropenrooster', waarbij de meeste basisscholen van 7.30 tot 12.30 zijn geopend en de meeste scholen voor voortgezet onderwijs een half uur later vrijwel leeg zijn. Ook hier zit weer een (financiële) adder onder het gras.

Wie ooit in de middag, bijvoorbeeld in de 'windstille maanden' (orkanen op de Bovenwinden betekent geen zuchtje wind voor de kust van Venezuela), in een lokaal zonder airco les heeft gegeven, weet dat dit vrijwel vruchteloos is. Een zeer groot deel van de Curaçaose leslokalen heeft geen airco, de elektrische voorzieningen van de scholen kunnen het niet aan en de elektriciteitscentrale kan nu al vaak niet voldoen aan de vraag in de maanden augustus, september en oktober. Ook hier is dus een lange adem geboden.

Aan het Curaçaose onderwijs is heel wat te verbeteren. De Algemene Onderwijs Bond (AOB) becijferde recent dat 17,9 miljard gulden nodig is om het Nederlandse onderwijs weer goed op de rails te krijgen. Het Antilliaanse onderwijs behoeft naar verhouding minimaal dezelfde investering, wil het ook maar enigszins in de buurt komen van de eisen die in Nederland aan dit onderwijs worden gesteld.

Meer over