Syndroom van Stendhal op de loer bij Kamerkoor

Carte Blanche: Nederlands Kamerkoor o.l.v. Reinbert de Leeuw. Amsterdam, Concertgebouw...

ROLAND DE BEER

De psychische aandoening die gepaard gaat met euforie of paniek wanneer het slachtoffer oog in oog staat met een kunstwerk van duizelingwekkende volmaaktheid (in een speelfilm die vandaag in Italië in première gaat wordt dit het 'syndroom van Stendhal' genoemd), schijnt zich vooral voor te doen bij het genot van beeldende kunst.

Zo heeft de psychiatrische afdeling van het Santa Maria Nuova-hospitaal in Florence permanent een paar bedden klaar staan voor Botticelli- en Michelangelo-pelgrims, zoals Volkskrant-correspondent Jan van der Putten deze week berichtte.

In de muziek komt het syndroom minder vaak voor. Bij het Onze Lieve Vrouwe-gasthuis in Amsterdam heeft zich woensdag bijvoorbeeld geen enkel geval gemeld. Maar het zou dit keer hebben gekund - na het optreden van Reinbert de Leeuw en het Nederlands Kamerkoor in het Concertgebouw.

Alle voorwaarden waren aanwezig. Duizelingwekkende schoonheid; volmaakte vertolkingen. Een combinatie die versterking vond in het feit dat het louter om mystiek werk ging - van een grote soberte bovendien.

Bij de drie a cappella-zettingen van Stravinsky waarmee het Carte Blanche-concert werd geopend, bleek De Leeuw het 't Kamerkoor niet gemakkelijk te hebben gemaakt. Het Ave Maria, Credo in unum Deum en Pater Noster werden niet gezongen in het Latijn van de bekende versie uit 1949, maar in het kerkslavisch, de taal die Stravinsky oorspronkelijk van toepassing achtte.

Het Onze Vader schijnt een adequate gebedstekst te zijn, al denkt het Vaticaan daar momenteel anders over. Als Odzji nasj ezji klonk het als ware geheimtaal. Dit vergrootte de werking van Stravinsky's zacht schurende, tegendraadse en tegelijk volmaakt kloppende harmonieën. Temeer omdat het Kamerkoor geen poging deed de bedoeling ervan - een intieme poging tot dialoog met de Ongrijpbare - te verbergen achter gepolijste koorklanken. De toon van de avond werd gezet met een open, onopgepoetst geluid.

Last van het syndroom van Stendhal heeft Stravinsky zelf in ieder geval niet gehad bij de aanblik van de Sacrae Cantiones van het renaissance-genie Carlo Gesualdo. Drie van diens motetten voorzag hij van ontbrekende stemmen, wat resulteerde in Gesualdaanse polyfonie met Stravinskiaanse baslijnen en (in nr 3) harmonische kleuren. De Leeuw en het Kamerkoor brachten ze met grote zuiverheid en zorg voor de balans - elementen die zich in Tre canti sacri van de in 1988 overleden Giacinto Scelsi concentreerden tot een weergaloze oefening in de mystiek van de micro-toon. Het slotstuk, de uitvoering van Liszts passiemuziek Via Crucis, werd een monument van eenvoud en inzichzelfgekeerdheid.

Liszt schetst de taferelen van Jezus' kruisweg in een afwisseling van begeleide en onbegeleide psalmodieën, en motet- en cantate-achtige brokstukken, met vrouwenterzetten als een weerkerende klacht van de drie Maria's. De piano is beurtelings begeleider en solo-instrument, en brengt de kaalheid in herinnering van Nuages gris, La lugubre gondola en ander klavierwerk van de oude abbé Liszt. In het koraal O Haupt voll Blut und Wunden duikt Johann Sebastian Bach op.

Constanten in dit bonte amalgaam, dat pas 43 jaar na Liszts dood werd uitgegeven en in 1986 voor het eerst een goede plaatuitvoering kreeg - van De Leeuw en het Nederlands Kamerkoor - zijn de kale, rotsachtige melodiewendingen, de somber dissonerende harmonieën, en de bezonken tred waarmee Liszt de Mensenzoon volgt. Ook Liszt beefde niet, toen hij oog in oog stond met Bach, maar betrok hem in zijn donkerste impressies.

De Leeuw en het Nederlands Kamerkoor putten zich uit in een hypergeconcentreerd betoog, waarvan de diepte niet door iedereen werd geaccepteerd. Hoesters in de zaal bezorgden duizelende mede-toehoorders genezing door ergernis.

Roland de Beer

Meer over