Surrealistisch Parijs

WINEKE DE BOER

'Het gebied van de dingen die mogelijk zijn, een plat en koud, onbebouwd en dor gebied, heeft me nooit aangelokt als doel van een wandeling.'

Deze zin van Philippe Soupault (1897-1990) zou als samenvatting van zijn schrijversprogram kunnen dienen. Geen gebaande paden voor Soupault, die samen met zijn vriend André Breton de methode van de 'écriture automatique' beproefde, schrijven zonder tussenkomst van het kritische bewustzijn. En die een roman schreef waarmee hij zijn excommunicatie in gang zette. Het genre was immers taboe bij de surrealisten.

De laatste nachten van Parijs (1928), uitstekend vertaald door Mirjam de Veth, is Soupaults meest surrealistische roman.Er is geen scherp omlijnde plot. De hoofdpersoon dwaalt 's nachts door Parijs, hij achtervolgt de prostituee Georgette, een schijnbaar gewone vrouw die na zonsondergang in een mysterie verandert. In het eerste hoofdstuk zijn die twee getuige van een schouwspel dat op een misdaad lijkt.

Het ware onderwerp van de roman is niet deze misdaad of Georgette, maar de stad die ze doorkruist en die al net zo raadselachtig wordt als zij. Parijs krijgt de eigenschappen van Georgette, en ook voorwerpen krijgen menselijke trekken: een krant speelt met zichzelf, de nacht haakt zich vast aan de bomen en loert vanaf het braakland. Alles heeft een eigen wil en blijft tegelijkertijd volkomen willekeurig. De hoofdpersoon probeert er tevergeefs aanwijzingen, tekenen in te zien.

Wanneer Georgette na een grote brand spoorloos blijkt, zitten de nachtbrakers ontredderd bijeen. Dan wordt er op de deur geklopt:

'Parijs stond voor onze ogen. We verwachtten niemand meer. Er was alleen een grote vlam, rood kantwerk, een wond.'

Philippe Soupault: De laatste nachten van Parijs.

Uit het Frans vertaald door Mirjam de Veth.

Coppens & Frenks; 157 pagina's; € 24,95.

ISBN 978 90 7112 700 7.

undefined

Meer over