'Surinaamse problemen niet onze schuld'

Leden van een Nederlandse militaire missie in Suriname worden nog altijd beticht van betrokkenheid bij de coup van 1980. Oud-missielid Piet van Dijk ontkent: 'Wij hadden de decembermoorden kunnen voorkomen.'

Van onze verslaggever Stieven Ramdharie

'Die jongen ziet mij na 25 jaar nog steeds als zijn leermeester', zegt Van Dijk, die in 1980 lid was van de zevenkoppige Nederlandse militaire missie in Suriname. De oud-marechaussee en de andere missieleden worden beticht van betrokkenheid bij de coup.

De laatste oud-leerling die hem opzocht, was Bouterse-vertrouweling Ramon Abrahams. Van Dijk vroeg hem of hij minister van Defensie zou worden, mocht Bouterse de verkiezingen winnen. 'Een grapje, meer niet.'

Achter die incidentele bezoekjes, bezweert hij, moet niets worden gezocht. Het zijn geen steunbetuigingen aan de Surinaamse militairen die hij ooit mede opleidde en die in 1980, vandaag precies 25 jaar geleden, een burgerregering wegschoten.

Piet van Dijk, is dat niet een van die Nederlandse militaire adviseurs die de sergeanten een handje hielp bij de coup? 'We krijgen dat verhaal nog steeds naar ons hoofd geslingerd', foetert Alice van Ommeren (74), zijn Surinaamse vrouw. 'Dat het onze schuld is dat Suriname nog steeds in de stront zit. Bij elk contact met Surinamers merk je het. Het is zó onrechtvaardig, zó naar.'

Anno 2005 voelen de nog levende leden van de omstreden missie zich nog net geen paria. Hoewel meerdere onderzoeken in de jaren tachtig missieleider Hans Valk en zijn mannen vrijpleitten, hangt de geur van Nederlandse betrokkenheid nog altijd rond de staatsgreep. Valk en Bouterse, bleek uit de onderzoeken, hadden toch een opmerkelijk hechte band?

Kapitein buitendienst Arnold Clements (78) is de rust zelve in zijn flat in Zeist. Ooit vocht hij voor eerherstel, nu kan het hem niets meer schelen. Niets.

Clements: 'Over mij ging toen het verhaal dat de coupplegers zich een uur na de staatsgreep in mijn huis hadden verzameld. Ik heb mij rot gelachen. Wat een onzin. Zeker, ik had goed contact met sommige sergeanten. Maar ik was nooit familiair met ze. Het was altijd professioneel.'

Van Dijk: 'Valk flapte er in die dagen wel eens wat uit. Tegen een Surinaamse officier zei hij: jullie moeten iets doen, anders komen de onderofficieren in actie. Ik zag hem elke dag. Maar ik heb nooit gemerkt dat hij militairen aanzette tot een coup. Ook ik zag het niet aankomen.'

Valk wil niet praten, bevreesd als hij is dat die oude kwestie weer wordt opgerakeld. 'Nogmaals, ik heb mij nooit met die coup bemoeid. En Den Haag wist er ook niets van. Toch blijft de indruk hangen dat we betrokken waren.'

Maar oud-inlichtingenofficier Koen Koenders, die het landmacht-rapport schreef over de rol van de missie, heeft nog steeds zijn twijfels. Koenders: 'Zonder Valks steun en adviezen hadden die jongens het nooit gedaan. Alleen valt het niet meer te bewijzen na 25 jaar.'

Alice, Van Dijks vrouw: 'Ik heb het Roy Horb, toen de tweede man in het leger, gewoon op de man af gevraagd. Hij zei: mammie, het zou toch stom zijn geweest om die Nederlanders erbij te betrekken? Dan zouden ze de ambassade en Den Haag meteen op de hoogte brengen.' De missie moest in 1981 vertrekken, twee jaar later keerde Van Dijk nog een keer terug.

Suriname zag Van Dijk daarna nooit meer. Geen behoefte meer aan. En uit boosheid. 'Het kan mij niets schelen dat mensen denken dat we het land in de stront hebben gestort. Ik weet dat het niet zo is. Als de missie was gebleven, waren de decembermoorden nooit gebeurd. Die jongens luisterden naar ons. Valk kon makkelijk tegen Bouterse zeggen, als zaken uit de hand dreigden te lopen: ''Desi, ga je hond uitlaten! Of je kat! Maar sla niet door.'' Ze hadden respect voor ons.'

Clements werkte tot 1984 voor het Surinaamse leger. 'De ambassade nam het mij kwalijk dat ik bleef na 8 december 1982. Ik zei: dit zaakje moet draaiende blijven.'

Meer over