SUCCES IS NIET MET GELD TE KOOP

'De wanklanken die er bij ons zijn, hebben allemaal betrekking op het vervoer, de starre organisatie, de overdreven beveiliging. Om de vijftig meter word je gecontroleerd....

JAAP VISSER; HANS VAN WISSEN

Of zijn aanwezigheid op de Olympische campus een voorbode van een toekomstige functie is, blijft onduidelijk. Hans Jorritsma laat zelden het achterste van zijn tong zien. Zeker is dat hij gevráágd zou moeten worden als opvolger van de scheidende chef de mission Bolhuis; Jorritsma is niet iemand die leurt met zichzelf. De afgelopen weken wérd hij gevraagd, niet door het NOCNSF, maar door een 'aantal' hockeybonden uit den vreemde. Hij is er nog niet uit, heeft absoluut geen plannen. Hij weet alleen dat hij de adviseursklus voor het NOCNSF met genoegen heeft gedaan.

Het vergt een tamelijk lange denkpauze om het werk dat hij voorafgaand aan de Spelen verrichtte, concreet te omschrijven. Daarvoor was het te divers. Jorritsma moest bonden helpen bij het formuleren van een topsport-beleidsplan, hij deed verzoeningspogingen, hij bezocht een eindeloos scala aan evenementen, hij diende individuele knelpunten te signaleren en soms harde adviezen te geven. Hij had geen directe bemoeienis met het selectieproces maar moest de beleidscommissie topsport (BCT) wel raden in kwesties als de privé-coaching.

'Hoe dichter je bij de Olympische Spelen komt, des te groter wordt de rol van de privé-coaches. Opeens klauteren er allerlei mensen op het podium die, al dan niet terecht, zo nodig naar de Spelen moeten. Als alle aanvragen zouden zijn gehonoreerd, hadden we hier met veertig, vijftig man méér gezeten.'

Dat moge klinken als een veroordeling maar Jorritsma benadrukt juist het toenemende belang van de nabije, eigen coach. 'Zodra bij individuele sporten bondscoaches worden aangesteld, komt er zand in de machine. Bij die sporten zul je meer ruimte moeten gaan creëren voor de privé-trainers. De bondscoach moet dan een rol krijgen zoals Stanley Franker bij het tennis, een organisator met kennis van zaken die een beleidslijn kan uitzetten.

'Bij het judo is het een verkrampte situatie met een Cor van der Geest die privé-pupillen heeft en bondscoach is. Gaat Van der Geest weg, dan komt er een ander en heb je weer precies dezelfde problematiek. Ik kan me voorstellen dat iemand die dagelijks een sporter traint, die pupil niet zomaar voor de Olympische Spelen uit handen wil geven. Zeker niet aan de trainer van een rivaal die toevallig bondscoach is. Het gedonder daarover is de weerslag van de verouderde structuur die sommige bonden nog steeds kennen. Daar moeten we vanaf.

'Marko Koers, prachtige atleet, heeft een hele goeie uitstraling, leuke jongen ook, hij heeft z'n eigen trainer, Theo Joosten en met hem haalt hij zijn resultaten. Hij moet optimaal met zo'n man kunnen werken, ook hier. Ik heb intensief contact gehad met Frans Thuys, de trainer van Ellen van Langen. En dan krijg ik een lijst onder ogen van coaches die de bond geaccrediteerd wil zien, waarop de naam van Thuys niet voorkomt. Dat is toch ongelooflijk.

'Als een bond goed presteert moet de beloning daarvoor achteraf komen. Dan moet er een contract komen voor een periode van vier jaar naar de volgende Olympische Spelen, een contract dat halverwege herzien of voor vier jaar verlengd worden. Dat is het Italiaanse systeem: presteren op de Spelen en daardoor financiële ondersteuning afdwingen. Een beleid zoals de zwembond dat nu voert, moet je honoreren. Voor de bonden die nog niet op dat niveau zitten, moet je een weg uitstippelen om ze daar te krijgen.

'Geld is niet de limiterende factor. Het is niet zo dat er beter wordt gepresteerd als er meer geld is. Geld geeft de mogelijkheid om meer faciliteiten te creëren. Maar succes is niet met geld te koop. Goed beleid bepaalt succes en goed beleid hoeft vaak niet veel meer te kosten.

'Mijn adagium is: met zo min mogelijk middelen zo veel mogelijk bereiken, ballast overboord gooien. Het is mijn stijl zo sober mogelijk met sporters, met teams om te gaan, ze niet te overvoeren met luxe, extra dingen. Mensen willen altijd meer, maar daar zitten grenzen aan. Sporters moeten eerst bij zichzelf naar de mogelijkheden zoeken om goed te presteren.

'Bart Brentjens vind ik in dat opzicht een goed voorbeeld, een superprof. Die leunt op mensen, maar niet op ontzettend veel mensen. Die stippelt zijn eigen route uit. Hij werd met geringe middelen wereldkampioen en kon daarna een mooi contract afsluiten. Ik heb er geen enkele moeite mee als het NOCNSF zulke profs blijft ondersteunen, al is het meer in immateriële dan financiële zin.

'Door mijn ervaring kan ik redelijk in kaart brengen waar problemen liggen, waar mensen behoefte aan hebben. Ik constateer dat in de topsport bepaalde facetten onderbelicht blijven: krachttraining, het werken met inspanningsfysiologen, videobegeleiding, medische begeleiding.

'Er had nog nooit iemand gedacht aan medische begeleiding voor de ruiters. Die zijn nu allemaal doorgelicht, er is een fysiotherapeut bijgekomen. Jos Lansink raakte geblesseerd, er zitten heel veel verborgen blessures bij die ruiters. De een heeft het aan zijn rug, de ander aan zijn schouder. Je maakt wat klappen op zo'n paard als dat even verkeerd neerkomt. Als je uit het zadel komt en je dondert er weer in, hebben je liezen verschrikkelijk veel te verduren.

'De ruiters zijn profs, maar als ze vragen om medische flankering moeten ze die kunnen krijgen. Als ze op basis van een goed beleidsplan iets vragen, dan heeft het NOCNSF natuurlijk een functie. Die mensen zijn er keihard mee bezig, de godganse dag, heel professioneel, maar niet op alle vlakken. Wat is er dan mis mee om ze te ondersteunen bij hun streven naar perfectie?

'Een aantal bonden is al beleidsmatiger gaan werken, met een bondscoach in een coördinerende, adviserende rol. Ten opzichte van Barcelona is dat een enorme stap voorwaarts. De Bosbaan is een nationaal roeicentrum geworden, er wordt niet meer over het hele land geroeid. Roeiers en bondscoaches hebben zich in de buurt van de Bosbaan gesetteld. Als je top wilt roeien, meld je je daar maar. Dat project verdient navolging.

'Maar op andere sporten hebben we nauwelijks grip. Die blijven een eigen weg volgen waarvan je je moet afvragen: waar leidt die toe? Dat geldt voor atletiek, badminton, tafeltennis. We krijgen uit de KNAU verzoeken om geld voor een trainingskamp zonder dat wordt aangegeven wie daar naar toe gaan. Dan zitten we nog te veel in een grijs gebied te werken. Wat gebeurt er met dat geld, komt er wel voldoende rendement uit?

'In de praktijk zie je dat atleten die zich vroeg hebben gekwalificeerd, wegvallen, niet de prestatie leveren die je verwacht. Marko Koers en Sharon Jaklofsky, die zich laat plaatsten, zijn de lichtpunten. We moeten ook gaan kijken naar de faciliteiten, daar moet meer in worden geïnvesteerd. Er moet een centraal atletiekcentrum komen waar in de winter getraind kan worden zodat niet iedereen naar warme oorden hoeft uit te zwermen. Maar het is zo moeilijk om in de atletiek ergens een begin te maken. Die sport is zo divers.'

Het lijkt een paradox. Jorritsma pleit voor centralisatie, terwijl zijn eigen NOCNSF decentralisatie lijkt voor te staan. Vanwaar anders de twaalf Olympische steunpunten die in het leven zijn geroepen? Jorritsma: 'Maar je kunt niet twaalf ideale atletiekaccommodaties aanleggen. Met de huidige talentontwikkeling kan decentralisatie slechts in een aantal gevallen. Bij 't zwemmen gebeurt het, maar wel heel duidelijk onder supervisie van de bond. Voor de top heb je een centraal punt nodig, waar je specifieke kennis en medische hulpmiddelen samenbrengt.

'In de atletiek vliegen ze allemaal uit, de één naar Tenerife, de ander naar Portugal, er is te weinig zicht op. En bij badminton en tafeltennis is de moeilijkheid dat ze zo waanzinnig veel wedstrijden spelen. Ze zijn altijd maar onderweg naar de volgende wedstrijd. Ik mis een progressieve opbouw naar een groot toernooi, naar een piek in het presteren.

'Er is grote behoefte aan kennis, maar kennis is, net als geld, niet dekkend. Er moet meer beleving komen en uitwisseling van kennis. Coaches komen naar het Nationaal Coach Platform om hun kennis aan te vullen, maar binnen de bonden wordt die kennis vervolgens te weinig uitgewisseld. De coaches komen bij ons kennis halen, voor zichzelf, en gaan daarmee aan de haal. Ze willen die kennis niet delen. Bij de bonden zijn de rijen niet gesloten, de overtuiging dat ze elkaar moeten steunen, ontbreekt.

'Coaches zien kennis als hun marktwaarde. Best begrijpelijk, dat komt door onze structuur waarin meestal gewerkt wordt met éénjarige contracten. Na deze Spelen zullen weer coaches ontslagen worden waardoor met de opbouw opnieuw moet worden begonnen. Dat is een stap terug.

'De beperkende factor is ook vaak het werk van de coach zelf. Ik zeg: zorg dat je goed bent in je vak, daar kun je veel meer winst uithalen dan nog maar weer eens ergens dertigduizend gulden zien los te krijgen. Coaches zoeken heel gauw naar externe factoren, de tegenstander, de scheidsrechter, geld, de ploeg. Maar ze missen meestal op de eerste plaats een klankbord. Hoe functioneer je zelf, los van je kennis? Coaches schermen zichzelf heel erg af, ze praten dikwijls alleen met mensen in hun eigen vakgebied.

'Je moet jezelf als coach een spiegel durven voorhouden. Zelf sprak ik over het spelverdelen van Delissen, de strafcorner van Bovelander, maar niet over mijn eigen functioneren. Het is niet soft om dat eigen functioneren aan de orde te stellen. Maak eens een pas op de plaats, hol niet altijd maar door.

'Daarom hecht ik zoveel waarde aan het werken met vierjarige cycli, ook al loop je daarmee een zeker risico. Dat je na twee jaar tot de conclusie komt dat het niet werkt en dat je van een coach af moet. Maar die langer lopende contracten geven rust en door die rust gunnen de coaches zichzelf de tijd in de spiegel te kijken en aan hun eigen ontwikkeling te werken. Je kunt de maatschappelijke positie van coaches versterken door die contracten.

'Wie dat moet betalen, is vraag twee. Je moet eerst plannen maken en dan kijken waar het geld vandaan kan komen. De contacten met grote sponsors zijn er. We moeten investeren in beleid. Ik ben ervan overtuigd dat we dan ook meer rendement kunnen halen uit een Olympisch grote sport als atletiek.

'Diversiteit past bij ons land. Wij zijn toch een volk van veelzijdigheid, we kunnen zelfs bobsleeën. We kunnen elkaar heel snel en makkelijk ontmoeten. Dat is een belangrijk voordeel bij het bundelen en uitwisselen van kennis. Het is betrekkelijk eenvoudig om op één lijn te komen. Zelf heb ik als coach na de Spelen 1988 bij het hockey een omslag proberen te bewerkstelligen. We zijn meer gaan trainen, maar dat wekt dan weerstand op, omdat mensen anders moeten gaan leven. Bij de roeiers is dat goed gelukt, die vinden het heel gewoon om 's ochtends vroeg hun bed uit te komen. Waarom zou een hockeyer dat niet kunnen?

'Neem de volleybalvrouwen, een hele jonge, leuke groep met meiden van achttien, negentien jaar. Die hebben een geweldig seizoen gehad, enorm veel trainingsuren gemaakt. De judoërs ook. Die vinden het normaal om zo veel te trainen. Hockeysters willen alleen 's avonds trainen en als ze dan brons halen, zeggen enkelen: dat is toch ook prima. Het is moeilijk om het begrip topsport te relateren aan het aantal trainingsuren. Waar dan wel aan weet ik niet. De volleybalsters trainen drie keer zo veel als de hockeysters en worden vijfde, de hockeysters halen brons.

'Maar het creëren van een topsportmentaliteit om prestaties te garanderen, hoe moet dat? De Amerikaanse volleyballers schijnen een enorme topsportmentaliteit te hebben, maar vliegen er toch uit. Ik heb die Amerikaanse favoriete bij het mountainbiken bezig gezien. Die verliest en wordt achtervolgd door een hele horde cameraploegen. Kun je dat voorkomen door te werken met een sportpsycholoog?

'De invloed van sportpsychologen neemt dan weer toe en dan weer af. De hockeyers, waterpoloërs en volleyballers hebben allemaal gewerkt met Hardy Menkenhorst, maar hem een jaar voor de Spelen ook weer losgelaten. Er is onvoldoende wisselwerking tussen coaches en sportpsychologen. De meesten komen niet uit de praktijk.

'Ik ben wel eens bij zo'n lezing van Menkenhorst geweest en dan beweert hij dat het voor een groot toernooi belangrijk is om heel veel zware wedstrijden te spelen. Dan denk ik: ik heb in Pakistan gewerkt en daar hebben we alleen maar onderling partijtjes gespeeld waarna we wereldkampioen werden. Waar is zo'n stelling dan op gebaseerd, waar komt dat vandaan?

'De volleyballers verliezen de finale van het Europees kampioenschap van Italië. Ik ben erbij geweest, drie uur lang zat iedereen op het puntje van z'n stoel. Er was niks mis met die wedstrijd, de Italianen waren gewoon een fractie sterker. Komt er vervolgens een brief binnen van een sportpsycholoog die bijna woedend schrijft dat er niet was verloren als hij erbij was geweest. Dan denk ik: wat een geweldige overschatting van je eigen capaciteiten. In Nederland hebben de sport en de psychologie elkaar nog niet gevonden. Zoveel is mij wel duidelijk.'

Meer over