Stuur boeken, kranten en schrijvers naar Suriname

Suriname, de Antillen en Zuid-Afrika, hebben grote behoefte aan ondersteuning bij het in stand houden van het Nederlands, zegt..

Toen ik onlangs verhuisde, stuurde ik enige honderden overtollige boeken naar Suriname. Het is een schamele gift, maar alle beetjes helpen. Voor 30 euro wordt een doos van 160 liter inhoud naar Paramaribo verscheept door de firma Jos Steeman, die ook in de jaren van honger en ellende de levenslijn onderhield tussen Nederland en Suriname. Toen ging het om levensmiddelen, nu om boeken. Zoals er toen te weinig te eten was, is er nu te weinig te lezen, zeker in het Nederlands. En dat is welbeschouwd – Pieter Broertjes schrijft het terecht (Forum, 7 augustus) een schande.

In 1975 verliet Suriname het Koninkrijk der Nederlanden. De beweging voor onafhankelijkheid van het land was enige jaren daarvoor in Nederland ontstaan, meer dan in Suriname. Driekwart van de Nederlanders was er voor de banden met het land te verbreken. Van de Surinamers is nooit meer dan een kleine minderheid daarvoor geweest, maar wij wisten beter wat goed voor hen was dan zijzelf. Daarbij sluit ik mijzelf niet uit. Niet alleen de meeste Nederlandse politici, ook door nagenoeg alle journalisten vonden dat Suriname ‘vrij’ moest worden. Wij schaamden ons dat Nederland als bijna het enige land ter wereld, met alleen het fascistoïde Portugal, nog koloniën had. Van die schaamte werd Suriname de dupe.

Als verslaggever in Paramaribo besefte je wel dat bij een volksstemming de meeste Surinamers tegen onafhankelijkheid zouden stemmen, maar dat betekende voor ons naar de geest van die tijd alleen maar dat zij ‘nog niet zover waren’. Daarom wees Den Uyl zo’n volksstemming ook af: stel je voor dat ze de onafhankelijkheid tegen hun bestwil in hadden afgewezen! Nederland wilde Suriname graag alsnog dekoloniseren, maar het kwam in feite neer op een nieuwe vorm van kolonisatie, waartoe wij overigens in staat werden gesteld door de hartelijke medewerking van de toenmalige Surinaamse regering.

We gingen er toen van uit dat het met het Nederlands in het land gauw gedaan zou zijn. We vonden het wel grappig dat ze daar onze taal nog spraken, en mooi hoe ze het spraken: een beetje archaïsch, maar ook een beetje gênant: een voortdurende herinnering aan ons Nederlandse verleden van kolonialisme en slavenhandel. Ze moesten nu maar eens hun eigen taal gaan spreken, of Engels, of Spaans, of Portugees.

Maar dat deden ze niet. Hardnekkig hielden ze aan het Nederlands vast, met alle handicaps van dien: een cultureel isolement binnen Latijns-Amerika en een blijvende gerichtheid op het vroegere moederland, dat voor Suriname nog steeds het voornaamste ‘buitenland’ is. 33 jaar na de onafhankelijkheid leeft het Nederlands meer dan ooit. Van afschaffing is nooit sprake geweest. Het Nederlands is er de lingua franca: doordat geen der bevolkingsgroepen (die allemaal hun eigen taal hebben) het kan claimen, is het bij uitstek geschikt om standpunten uit te wisselen en meningsverschillen te beslechten.

Dat men elders ter wereld zo hecht aan onze taal, schept verplichtingen voor een land dat zijn cultuur serieus neemt. Vroeger bestond daarvoor de Sticusa, de Stichting voor Culturele Samenwerking met Suriname en de Antillen, die Nederlandse schrijvers, musici, regisseurs, beeldend kunstenaars, boeken, exposities en films naar de overzeese gebiedsdelen zond. Dat werd door links, hier én daar, veroordeeld als ‘cultureel imperialisme’ en in het onafhankelijke Suriname was een van de eerste beleidsdaden van minister van Onderwijs Ronald Venetiaan, thans president, dan ook het opzeggen van Sticusa.

In 1980 kaapten Bouterse en zijn maats de jonge staat, wat aanvankelijk (dat vergeten we graag) ook werd toegejuicht en met geld aangemoedigd door Nederland en de Nederlandse regering. Daarna volgden terreur, burgeroorlog en kaalslag op alle terreinen.

Na 2000 deed Den Haag van alles om het goed te maken. Oude gebouwen en plantages werden hersteld, tentoonstellingen uitgewisseld, writers in residence uitgezonden (vreemd genoeg steeds Surinaamse Nederlandse schrijvers) en het literaire festival Winternachten bezoekt het land jaarlijks. Maar er moet meer gebeuren, want de culturele infrastructuur ligt er deplorabel bij. Bibliotheken zijn woestijnen van lege schappen (daarom zetten ze er graag mijn afgedankte boeken op), Nederlandse kranten en tijdschriften moet je met een lantaarntje zoeken en dichters kunnen hun werk niet uitgegeven krijgen. Dat is werkelijk reden tot schaamte: een land dat zich tegen wil en dank en in weerwil van onze onverschilligheid vastklampt aan onze taal, heeft moeite het niveau van die taal te handhaven. Ontwikkelingssamenwerking faalt veelal, culturele ontwikkelingssamenwerking niet.

Fierheid op het Nederlands noopt ons tot steun aan de taal in Suriname, op de Antillen en niet te vergeten in Zuid-Afrika. Ook daar is het Nederlands in de verdrukking, en met schaamte beladen, omdat het de taal was van de apartheid. Maar het is ook de taal die wordt gesproken door acht miljoen kleurlingen aan de Kaap, die ons steuntje in de rug bij de verdediging van hun taal maar al te goed kunnen gebruiken.

Meer over