Student bevangen door leen-aversie

De spaarzin van de gemiddelde Nederlander (waarin onder invloed van de economische voorspoed overigens de klad lijkt te komen) gaat gepaard met een duidelijk leen-aversie....

Sander van Walsum

Ziet de gemiddelde Amerikaanse student er doorgaans geen been in om enkele tienduizenden dollars te lenen voor de bekostiging van een academische opleiding (die zichzelf in een mum van tijd terugbetaalt), zijn Nederlandse evenknie maakt maar mondjesmaat gebruik van de mogelijkheid de basisbeurs aan te vullen met een lening. Van de studenten in het wetenschappelijk onderwijs doet slechts 18 procent beroep op het recht om (tegen een relatief gunstig tarief) te lenen bij de Informatie Beheer Groep. In 1991 bedroeg dit percentage nog 44 procent. Bij de hbo-studenten deed zich een soortgelijke ontwikkeling voor. Van hen leent slechts 12 procent bij de IBG, tegen 47 procent in 1991. Tezelfdertijd is de omvang van de opgebouwde schuld van degenen die wel lenen, sterk gestegen. (Bron: Center for Higher Education Policy Studies - Cheps).

De IBG verstrekt 40 procent van de uitstaande leningen onder studenten. De overige kredietverstrekkers zijn de commerciële banken (in 20 procent van de gevallen) en de ouders van de studenten (40 procent). Veel studenten zijn er, zo bleek vorig jaar uit een studie van het ministerie van OC & W, niet van op de hoogte dat de IBG behalve basisbeurzen en aanvullende beurzen (waarvan de hoogte afhankelijk is van het ouderlijk inkomen) ook leningen verstrekt. Degenen die van die mogelijkheid gebruikmaken, doen dat voornamelijk om structurele uitgaven - ten behoeve van de studie en het levensonderhoud - te dekken. De studenten verliezen echter steeds meer hun schroom om te lenen voor vakanties en andere franje.

In het algemeen geven de studenten er echter de voorkeur aan hun uitgaven te dekken met geld dat ze zelf hebben verdiend. Inmiddels heeft ongeveer 80 procent van de studenten een baantje. De hieruit verkregen inkomsten bedragen (voor uitwonende studenten) zo'n 600 gulden per maand - ongeveer 200 gulden meer dan de basisbeurs. (Bron: ministerie van OC & W en Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting - Nibud).

Meer over