Stronteigenwijs en idealistisch

Na de Winterspelen van Vancouver in 2010 houdt Renate Groenewold het voor gezien. Als schaatsenrijdster dan, want het vak van trainer wacht....

Steeds vaker kruipt schaatsenrijdster Renate Groenewold in de huid van de trainster die zij over krap twee jaar zal zijn. Ze brengt vijftien jaar lijfelijke ervaring in. Ze zucht, dan een lach. ‘Voor de vijftiende keer heb ik op 8 oktober mijn verjaardag in Duitsland gevierd. Meestal in Inzell, soms in Erfurt.’

De wereldkampioene allround van 2004 had niet anders gewild. ‘Op de basisschool schreef ik al in een vriendenboekje, het Hyves van die tijd, dat ik profschaatser wilde worden. Het vak bestond nog niet eens.’

Groenewold (32) deed een beperkt pakket in het voortgezet onderwijs. ‘Ik liet in 3 vwo scheikunde en natuurkunde vallen. Welbewust. Want daar moest ik moeite voor doen. En ik had al mijn tijd nodig om te trainen. Vond ik toen. Ik heb mijn vwo gehaald. Studeren hoefde ik niet, ik redde het door aanwezig te zijn.’

Nu komt ze die studievakken van toen tekort bij haar opleiding ST4, die van schaatstrainer. ‘Ik put vooral uit een rugzak vol eigen trainingservaring. Maar ik mis fysiologische kennis. Ik weet een heleboel, maar mis de diepgang. Ik weet wat het is, maar niet waarom het zo is.’

Ze heeft een groot voordeel, merkt ze al bij haar stages bij leercoach Aitske de Jong. ‘Ik stond met 28 pupillen van haar op het zomerijs in Heerenveen. Komen ze alle 28 bij mij. Renate, wat vind je van mij? Je merkt als je voor een groep staat dat je iemand bent. Ik had geen probleem dat ze niet naar mij luisterden. Of niet stil waren.

‘Het is grappig welke invloed dat heeft. Het verleden dwingt inderdaad respect af. Ik had dat toen Gerard Kemkers voor de groep kwam staan. Ik zat bij Jong Oranje. Hij had geschaatst op hoog niveau. Daar had je respect voor. Net zo met Pfrommer. Oh Leen Pfrommer, dat was iemand.

‘Toen kwam Jan de Kok. Who the fuck is Jan de Kok, zeiden wij jonge meiden. Hij heeft het eerste half jaar heel veel moeite met mij gehad. Mensen kijken daarnaar.’

Ze is met haar opleiding meer tijd kwijt dan ze zich had voorgesteld. ‘Ik dacht dat doe ik er wel eventjes bij. Maar ze vragen meer. Ik moet serieus een onderzoek doen en een jaarplan schrijven. Het leidt me niet af. Heel anders als aan het begin van mijn carrière. Toen heb ik nog twee jaar universitair gestudeerd. Dat ging bij mij niet samen.’

Ze is, goede eigenschap zeggen ze dan, ‘stronteigenwijs’. ‘Over techniek hoeft niemand me iets te vertellen. Periodisering, ik weet ervan. Het moeilijke is toch wel stage lopen. Dan kom je bij zo’n gewest en dan zegt zo’n trainer: wat kunnen we jou nog leren? We kunnen eerder van jou leren. En eerlijk gezegd denk ik ook dat ik het beter weet dan zij. Dat is best lastig.’

Groenewold werkt nu tien jaar van haar schaatsleven met Gerard Kemkers, de huidige hoofdcoach van TVM. ‘We zijn bijna getrouwd, hè?’ Hun samenwerking lijkt op die van het zwemduo Pieter van den Hoogenband en Jacco Verhaeren, ook voor eeuwig geklonken.

Of de samenwerking na de Winterspelen van Vancouver 2010 wordt voortgezet? ‘Waarom niet’, zegt Groenewold die zich een rol als rechterhand van de hoofdcoach kan voorstellen. Want zelf heeft ze zich altijd gestoord aan het ontbreken van een vrouw in de staf van TVM, de sterkste schaatsploeg ter wereld.

‘Alleen maar kerels. Dat is in mijn ogen niet goed. Natuurlijk zijn de mannen in onze staf geen haantjes. Maar het zou goed zijn als er een vrouw in de begeleiding aanschuift. Zij hebben een andere kijk op zaken, hoe dingen gaan.

‘Vrouwen zitten wat anders in mekaar, voor een man is dat nog niet zo makkelijk. Ik zou daar anders mee omgaan. Aan de andere kant is de vermenging mannen en vrouwen in een ploeg als TVM een sterke factor. Ik juich dat toe.

‘Ik heb ook in een pure vrouwenploeg gezeten. In mijn eerste twee jaren in de KNSB-kernploeg, met Sijtje van der Lende als coach. Dat waren Tonny de Jong, Annamarie Thomas, Carla Zijlstra, Barbara de Loor en ik. Ik kwam net kijken. Ik zeg sindsdien: voor een vrouwenploeg is het goed als er een paar kerels bij zitten. Mannen die zeggen, hè niet zo zeiken.’

Zijzelf maakte het mee dat ze in haar eentje in een ploeg met mannen zat. ‘Het is een valkuil. Je wilt zo vaak en zo hard mogelijk met de mannen trainen en je bent gefrustreerd als je iets alleen moet doen. Je kunt, het is me gebeurd, totaal overtraind raken.

‘We hebben het nu geweldig. Een treintje van vier vrouwen. En zes mannen om je aan op te trekken, als het nodig is. ‘Ik ervaar de aanwezigheid van drie andere vrouwen in de ploeg als een ideale situatie. Mijn positie in de groep is ook anders. Ik vind het, als schaatstrainer in opleiding, leuk om zaken over te brengen.’

Ze kijkt scherp, haast met de ogen van een coach, naar de ontwikkeling van teamgenoten Ireen Wüst, Paulien van Deutekom en Marrit Leenstra, de ex-wereldkampioen allround, de wereldkampioen allround en de juniorenwereldkampioen. Zij zijn de vrouwen die haar in Vancouver, in de vaak als bijnummer beschouwde ploegenachtervolging, olympisch goud kunnen brengen.

‘Ireen is al weer aan haar vierde seizoen bij ons bezig. Ik weet nog de eerste zomer dat ze bij ons kwam. Ze keek nog erg tegen me op en wilde in de training ook de competitie aangaan. Om mij beter te maken, een trainingsmaatje te zijn. Ze heeft zichzelf toen bijna gekild.

‘Ireen kan heel erg afzien. Als ze haar slag te pakken heeft, dan kan ze zo diep gaan. Maar het onbevangene waarmee ze in Turijn olympisch goud won, dat is er nu wel af.

‘Ze heeft best veel moeite met op de rem staan. Ze is iemand die veel sturing nodig heeft. Ze is veel vergeleken met Sven (Kramer, JV) die gelijk met haar kwam. Maar Sven is van nature een heel goeie schaatsenrijder. Ireen heeft tijdig nodig om in haar slag te komen.

‘Het zijn twee compleet verschillende persoonlijkheden. Sven is opgegroeid tussen de topschaatsers bij zijn ouders thuis. Ireen is een nakomeling, vertroeteld, beschermd. Zij moet soms nog de weg worden gewezen.

‘Paulien is een harde werker, door ons in 2007 aangezocht voor de derde plek in onze ploeg. Vrolijk en spontaan, haar profiel paste. Ze was vooral sterk. Het is een buffel. Maar vorig seizoen is de techniek erbij gekomen. Dat is dan het meesterstuk van Kemkers. Zo iemand goed aan het schaatsen krijgen.

‘Marrit vind ik een prachtige, unieke persoonlijkheid. Slim, een eigen willetje, een vlinder op het ijs. In vergelijking met ons drieën weegt ze niks. Of dat goed is? Er is geen wet in het schaatsen op dat vlak. Wat is ideaal? Op een gegeven moment moest iedereen schaatsen zoals Johann Olav Koss, de Noor. Hij werd er drievoudig olympisch kampioen mee. Maar wat voor hem werkt, hoeft voor mij niet zo te zijn.’

Groenewold ziet tal van uitdagingen in haar aanstaande vak. ‘Ik heb een idealistisch beeld voor ogen. Onze jonge schaatsers schieten qua coördinatie en lenigheid tekort. Die motorische eigenschappen moet je ontwikkelen, voor je aan snelheid en kracht denkt.

‘Je hoeft je been niet in de nek te leggen, maar je moet los zijn. Om vanuit de heupen te kunnen schaatsen. Dat stijve komt mede doordat op school geen gym meer wordt gegeven. Het slaat nergens op wat ze tegenwoordig nog onder gymles verstaan.’

Naast het lichaam verdient de geest alle aandacht, in de sportbenadering van Groenewold. ‘Ik ben een echte weegschaal. Het is alles of niks bij mij. Als ik vastzit, is positieve feedback zo belangrijk. Ik heb nog steeds een trainer nodig die zegt: kom op Renate.

‘Ik weet dat sinds de persoonlijkheidstest die we vorig jaar hebben gedaan. Onze sportpsycholoog Hardy Menkenhorst heeft ons de test van Myers-Briggs, voor je typologie, afgenomen. Ik ben een ESFJ. De E van extravert, de S van sensing, zintuiglijk dus praktisch en gestructureerd, de F van feeling, gevoelsmens, en de J van judging, beoordelend, gecontroleerd, taakgericht. Als trainer wil je weten hoe je pupil in elkaar zit. En omgekeerd: hoe zit jouw trainer in elkaar. Ik ga dat later gebruiken.’

Meer over