Stromende wodka en een elite van straathonden

Jelle Brandt Corstius is de minst saaie Nederlandse reisschrijver. Zijn geluk is dat er in Rusland, waarover hij bericht, niets klopt....

Kees Fens

De meeste reizigers zijn saai: ze zien wat ze zullen zien en zoals het zorgvuldig door voorgangers is beschreven. Hun geluk is dat alles klopt (of kloppend is gemaakt, maar dat weten ze niet). De vreemde, waarin men verblijft, moet zich aan zijn beeld en aan zijn orde houden. Anders wordt er geklaagd. Terug in Nederland schrijven sommige er mooie saaie stukken over.

Het enige land dat zich nergens aan lijkt te houden, is Rusland en ook daardoor is Jelle Brandt Corstius, die Moskous correspondent is voor het dagblad Trouw, de minst saaie Nederlandse reisschrijver. Zijn geluk is dat er niets klopt. Met een in dit land zeldzame opgewektheid maakt hij afspraken met mensen die zich niet aan hun afspraak houden, bestelt hij in restaurants taart die geen taart is, laat hij zich de weg wijzen door mensen die de weg niet weten, komt hij in een museum waar een meisje achter het loket zit, een portier staat, de deur geopend is, en dat toch gesloten blijkt. (Dat is ook mijn eigen ervaring in het Poesjkin-Museum in Petersburg.) Hij interviewt specialisten die van hun specialisme weinig of niets blijken te weten, zoals in deze onovertroffen scène uit het stuk ‘Altai’ dat het boek opent (de auteur reist ook om kennis op te dien over het Boerchanisme en over ruimteafval).

‘In Gorno-Altaisk hadden wij een interview met een museummedewerker die was gepromoveerd op het Boerchanisme. Ondanks het interview moesten wij alsnog een kaartje voor het museum kopen. Ze hadden een hele zaal die was gewijd aan het Boerchanisme, maar die was gesloten. Voor ons werd hij speciaal opengegooid, maar hij was leeg. De medewerker bleek ook eigenlijk niet zo gek veel van de godsdienst te weten, maar kwam uit Ust-Kan, wat in de buurt lag van de plaats waar we ruimteafval gingen zoeken. Maar ook daar wist ze niks over. Weinig succes in het museum dus.’

Het laatste zinnetje had na zoveel, naar het lijkt, absurdismen, weggelaten moeten worden. Dat was het enige dat we zelf kunnen bedenken. Temeer daar het verslag in de volgende alinea even absurd doorgaat, men gaat aan een systeem denken:

‘In de hal van het museum draaide ik het nummer van een journaliste die wat meer van het ruimteafval af zou weten. Dat nummer draaide ik al drie weken, maar nooit nam iemand op. Het was afkomstig van een even zo mysterieuze vrouw die ik in Moskou had ontmoet. Ze was een wetenschapper uit Altai en ze wist alles van ruimteafval. Ze wilde mij er alles over vertellen, maar alleen als we ergens zouden afspreken voor koffie. Eenmaal in de koffiezaak schreef zij een lijst van handige contacten op, maar ze weigerde koffie te drinken.’

Enzovoort. Het zal duidelijk zijn en alle stukken in het boek Rusland voor gevorderden bewijzen het: Brandt Corstius is niet te ontmoedigen en dat zo sterk dat hij zich gewoon in de niet kloppende werkelijkheid laat opnemen, zoals twee schitterende verhalen over bezoeken bij nomaden (die je natuurlijk niet moet zoeken, ze zijn niet te vinden, daarvoor zij ze nomaden) laten zien. De verhalen zijn overigens uiterst informatief en daarin op bijna vrolijke wijze gedetailleerd. Ik heb er veel uit geleerd, al is het een volslagen nutteloze, want op niets aansluitende kennis.

Twee verhalen gaan over Moskou. Het eerste heeft de naam van de stad als titel en geeft met name in de beschrijving van ontelbare winkeltjes en handeltjes een prachtig portret van een zeer eigen orde (die Brandt Corstius, denk ik, doorziet). Het tweede, een hoogtepunt in het boek, heet ‘Dieren’.

De eerste helft ervan gaat over de straathonden, waarvan een groep, de ‘intellectuele elite’ een heel hechte organisatie heeft opgebouwd, ze kennen alle markten en weten de openingstijden, ze verplaatsen zich met metro en bus en weten altijd de juiste haltes. Dat alles komen we te weten van een Moskouse hondenspecialist. Het tweede deel gaat over een poes, die nog alles van de boskat heeft. Het is de kat van Brandt Corstius’ vriendin en wordt zijn kat. Wat zich aan krankzinnige situaties met die kat (en met de Russische dierenwereld!) voordoet, moet ieder maar lezen. Het deel is ook hierom kenmerkend: alles gebeurt op het nippertje, hoe kan het anders in een niet kloppende wereld. Het mooiste aan bijna alle verhalen in het boek is de aanwezigheid van zo veel, wat ik nu maar noem, gewone mensen. De verhalen zijn ook de triomf van hun gastvrijheid, niet minder van het vermogen van de auteur een graag geziene gast te zijn, in de verste uithoeken – in het noorden en in het oosten van het Russische rijk.

In het zeer ernstige verhaal ‘Kaukasus’, waarin de herdenking van de gijzeling van Beslan aan de orde komt – wat een indrukwekkende rol voor enkelen van de getroffenen, dat is pas grootheid – wordt ook een telefoongesprek gevoerd met een man uit Tsjetsjenië, die op de fiets (en met welke omwegen) de pelgrimsreis naar Mekka heeft gemaakt. Zijn verhaal is een van de mooiste stukjes van het boek.

Door het hele boek heen stroomt de wodka (de alcohol krijgt zelfs een eigen verhaal), en al die dronkenschap kan misschien verklaren waarom een nuchtere kloppende werkelijkheid voor Russen onmogelijk is en alle klokken en horloges andere tijden lijken aan te wijzen. Het blijft een mirakel dat Brandt Corstius altijd de weg terug gevonden heeft, op het nippertje dan. Bovendien schrijft hij zijn reisverhalen in een opgewekt, licht, geestig en helder proza. De titel van het boek veronderstelt gewenning. Het boek had beter Rusland voor beginners kunnen heten, maar die titel was al bezet door een ander boek.

Meer over