Straks zwaait hier de sloopbal

'Deze zaal, waar al menige bejaarde van de trap is gedonderd, lijkt mij uitermate geschikt als bokspaleis', schreef een lezer in het Utrechts Nieuwsblad....

'Hedenavond feest. Komt allen!', staat er op de lichtkrant aan de gevel van Muziekcentrum Vredenburg. De oproep heeft nog weinig volk op de been gebracht. Bij een van de ingangen aarzelt een eenzaam paartje: binnengaan of niet?

Directeur Peter Smids werpt met een vage glimlach een blik op het tafereel, dat sinds twintig jaar roerloos onder een glazen stolp in zijn werkkamer in het Utrechtse Muziekcentrum staat. Zo op het oog is in al die jaren weinig veranderd aan de schepping van de architect Herman Hertzberger. Alleen de wervende tekst op de lichtkrant dateert de maquette: die stamt onmiskenbaar uit de tijd dat een muziekzaal geen elitaire cultuurtempel wilde zijn, maar een 'demokraties kunsthuis' voor allen.

Toch zal het niet lang duren, voor het houten schaalmodel verandert in een nostalgisch aandenken aan dit centrum, dat jaarlijks 380 duizend liefhebbers uit de gehele Randstad bedient van klassiek, pop, jazz en aanverwante genres en het vaste onderkomen is van evenementen als het Festival Oude Muziek, de Nacht van de Poëzie, de Blues Estafette en het Franz Liszt Pianoconcours. Het Muziekcentrum gaat een ingrijpende face-lift tegemoet, als onderdeel van de miljardenoperatie van het Utrecht Centrum Project, dat het hele gebied rondom het Centraal Station moet verlossen van het architectonische misverstand van Hoog Catharijne.

'In 2003 gaat hier de sloopbal door de lucht', zegt directeur Smids haast verlekkerd. De plannen kunnen worden opgevat als een ferme correctie op de 'knusheidsgedachte' die ten grondslag lag aan de bouw van het Muziekcentrum, en die bijvoorbeeld te herkennen is in de talrijke trappetjes, zitjes, doorkijkjes, hoekjes en balkonnetjes in het begin 1979 door burgemeester Vonhoff geopende complex. Met het oog op toegankelijkheid en laagdrempeligheid bewerkstelligde Hertzberger dat het kunstencentrum zich presenteerde als één geheel met de omringende winkels en openbare wandelgangen, opdat de winkelende mens en de cultuurminnende mens geen vreemden voor elkaar zouden zijn.

Die omringende schil van (sinds lang leegstaande) winkeltjes en (gebarricadeerde, naar pis stinkende) doorgangen wordt straks rigoureus verwijderd. Het Muziekcentrum verandert in een vrijstaand gebouw, met een nieuwe, uitnodigende entree aan de kant van het Vredenburg-plein, royale foyers en andere publieksvoorzieningen. De plannen, die nog in het stadium van wensen en dromen verkeren en hopelijk deze zomer in de gemeenteraad hun beslag krijgen, voorzien ook in een grondige verbetering van de Kleine Zaal, en naar Smids vurig hoopt, de creatie van een nieuwe Middenzaal van 650 stoelen, 'voor groepen als Slagwerkgroep Den Haag of het Schönberg Ensemble, voor wie de Grote Zaal nu vaak net iets te groot is'.

Het ideaal is, mijmert Smids hardop, een spiksplinternieuw 'muziekpaleis' van vijf zalen, waarvan er dan twee autonoom zullen worden bestierd door het nu nog onder kommervolle omstandigheden aan de Oudegracht bivakkerende popcentrum Tivoli, waarmee Vredenburg al hartelijke banden op facilitair en technisch gebied heeft aangeknoopt.

En de Grote Zaal? Welke rol is die gastvrije, ruime en toch intieme arena, die door architectuurstudenten aller landen als een bedevaartsoord wordt bezocht, in de plannen toebedacht? Die prachtzaal dus, die gedurfde afwijking van het voor concerthuizen geijkte schoenendoosmodel, waarvan volgens Smids op de hele wereld geen tweede is te vinden ('of wacht, in Denver hebben ze ook zo'n rondlopende zaal'), die blijkt sinds enkele weken zijn leven niet meer zeker.

'Sloop ook grote zaal Vredenburg.' Menige stadsgenoot schrok zich vorige maand een hoedje toen het Utrechts Nieuwsblad met die vette kop de voorpagina opende. Directeur Smids had zich bij een werkbezoek aan het nieuwe popcentrum 013 in Tilburg laten ontvallen dat hij de dwingende, achthoekige vorm van Hertzbergers zaal in de renovatieplannen als 'een blok aan het been' voelt en liever 'helemaal bij nul' begint. Complete afbraak dus. Of, zoals de krant uit zijn mond noteerde: 'Was er maar een vliegtuig op (. . .) geland.'

Smids wordt niet graag aan die laatste formulering herinnerd. 'Maar ik kan niet zeggen dat ik het niet gezegd heb. Het was 's avonds, na afloop in het café. Ik dacht dat het entre nous was, maar (ongelukkige grimas) kennelijk zag ik een verslaggever over het hoofd.

'Wat ik in Tilburg wilde zeggen is dit: kunnen we wel open blijven tijdens de verbouwing? Het zou een ramp zijn als we anderhalf of twee jaar dicht moeten. Maar misschien kan het niet anders. Het omringende hoefijzer om de grote zaal werkt namelijk ook geluiddempend. Als dat wordt gesloopt, veranderen de dunne binnenmuren van de Grote Zaal in buitenmuren. Hoe lossen we dat op? Het wordt een helse opgave alle functies op elkaar aan te laten sluiten. Mijn angst is dat je straks kunt zien dat we hebben zitten knippen en plakken. Als we toch dicht moeten, kunnen we dan niet beter slopen en opnieuw beginnen?'

Het opgegooide balletje leidde tot verbeten discussies op de opiniepagina's, die illustreerden dat Hertzbergs schepping meer dan andere zalen uitgesproken haat- of liefdegevoelens losmaakt. 'Deze zaal, waar al menige bejaarde van de trap is gedonderd, lijkt mij uitermate geschikt als bokspaleis (. . .) Gewoon platgooien die bunker', meende een lezer.

De Gemeentekrant Utrecht had weer een andere inval: 'Breek het helemaal af en zet het elders neer. Want het staat op de verkeerde plaats. Wie bouwt nu een muziekgebouw, waarin overdag nauwelijks iets gebeurt, op het centrale plein van de stad?' Een nieuwe plek naast de Jaarbeurshallen leek de auteur geknipt, op de oude locatie kon dan mooi 'een nieuwe Bijenkorf' verrijzen.

Peter Smids reageert met diplomatieke distantie op het publicitaire rumoer. 'Ik overweeg zelf met een opiniërend stuk te komen. Maar ik laat het eerst even uitwoeden.' Wel wil hij kwijt dat hij 'helemaal niets' begrijpt van de briefschrijvers die vooral de akoestiek van de zaal hekelen. 'Ik weet heel goed wat onze sterke en zwakke punten zijn, die zijn al twintig jaar bekend.' Barok, twintigste-eeuwse muziek of kleinere symfonische bezettingen komen goed tot hun recht, maar orkesten op Bruckner- en Mahlersterkte klinken doorgaans beter in andere zalen ('met fortissimo-erupties is het oppassen hier'). Vocale muziek levert eveneens problemen op: door de rondom geplaatste stoelen zit een flink aantal bezoekers onvermijdelijk tegen zingende achterhoofden aan te kijken.

Niet ideaal, maar een zaal die geschikt is voor 'alles' bestaat niet, vindt Smids, die zich gesteund weet door een legertje Grote Namen (van Van Morrison tot Josëe Carreras) die nergens zo lekker als in Utrecht zeggen te spelen. 'Laatst hadden we Martha Argerich met het Concertgebouworkest en Riccardo Chailly. ''Het was beter dan in het Concertgebouw'', hoorde ik na afloop.'

Toch is Smids niet blind voor de tekortkomingen van het Muziekcentrum. 'Het gebouw is als vormgevingsprestatie onnavolgbaar en de Grote Zaal is een meesterwerk, maar ik heb ook veel kritiek. Hertzberger is er op sommige punten echt niet uitgekomen.'

Tijdens een rondleiding door het op een enkele schoonmaker na uitgestorven, in sober werklicht badende gebouw, licht Smids zijn bezwaren toe. Voor de oningewijde lijkt het gebouw een labyrint: een cirkelvormige aaneenschakeling van precies op elkaar lijkende trappen, klapdeuren en naar verschillende niveaus leidende doorgangen, vol onverwachte hoeken en gaten. Het schijnt voor te komen dat vrienden die elkaar in de zaal ontwaren, in de pauze vruchteloos in de verkeerde foyers naar elkaar blijven zoeken.

Enkele jaren geleden zijn daarom bij alle deuren grote verlichte wegwijzers geplaatst die dolende bezoekers met coderingen als Wit 5 of Rood 10 naar hun betaalde stoel moeten leiden. 'Het wordt er natuurlijk niet mooier op', moppert Smids, die in bepaalde segmenten van het gebouw toch al een woekering signaleert van aandacht vragende 'dingetjes' (hekjes, vensters, armaturen, sierranden, in- en uitspringende hoeken). 'Hertzberger is soms echt een kampioen millimeterneuken geweest.'

De hele maatvoering in het complex had royaler gemogen, vindt de directeur. Wat minder 'muizengaatjes en konijnenholletjes'. Hij wijst op de doorgang van de kleedkamers naar de Grote Zaal, waar een gemiddelde twintiger onvermijdelijk zijn hoofd stoot. 'Hertzberger nam zichzelf als maat van alle dingen, en het is géén grote man. Een contrabas kan niet eens rechtop de deur naar het podium door. Als we dan gaan verbouwen, dan moeten we over dit soort dingen toch praten?'

Elders, bij een vermetele doorkijk langs Escher-achtig verspringend metselwerk naar een stralende dakkapel, wordt Smids weer enthousiast: 'Kijk, dit blijft groots natuurlijk.' Bij de entree, een ietwat benepen ruimte die zich nauwelijks onderscheidt van de vele andere ingangen, zakt het humeur: 'Dit is nou onze hoofdingang. Je loopt meteen tegen een betonnen wand op.'

Hertzbergers grote pech is, denkt Smids, dat de maatschappij zich zo heel anders heeft ontwikkeld dan de sociaal-democratische vooruitgangsmodellen begin jaren zeventig leken te voorspellen. 'Als je filosofie is: alle deuren open, geen rangen, iedereen gratis naar binnen - ja, dan klopt het gebouw wel.'

In zijn kantoor in Amsterdam geeft Herman Hertzberger te kennen dat hij zich in de meeste kritiek kan vinden. Omdat de plannen voorlopig zijn, is hij nog niet officieel benaderd, maar hij zou graag het zijne aan de verbouwing bijdragen. 'Als je ziet hoe slecht de passages er aan toe zijn, hoe verloederd de boel is, dan moet je wel ingrijpen.'

De gedachte achter zijn ontwerp is achterhaald, geeft hij toe: 'In de jaren zeventig wilden wij drempels weghalen, mensen het gebouw binnen lokken. Dat hoeft nu niet meer.'

Wat vindt hij van de discussie over een mogelijke sloop van de Grote Zaal? 'Het lijkt me lichtzinnig. Een enorme kapitaalvernieting ook. Het is een type concertzaal dat bijna nergens voorkomt en buitengewoon goed functioneert. Ik zie wel praktische verbeteringen die aangebracht kunnen worden, ik heb begrip voor klachten over het zitcomfort en de trappen. Bepaalde details zou ik nu anders oplossen. Ik ben tenslotte ook twintig jaar verder. Zoals muzikanten soms over oude opnamen van zichzelf zeggen: ik had de grote lijn niet, zo miste ik de balans nog. Ik zat aan veel kleine dingen vast. Maar potverdorie, het is niet het eerste het beste gebouw. Een sleutelwerk in mijn oeuvre.'

Peter Smids: 'Slopen blijft een agendapunt voor mij. We kunnen het ons niet veroorloven het niet ter discussie te stellen.'

Meer over