Straat

‘Daar heb ik onwijs veel zin in’, klinkt een meisjesstem in de straat. De zon schijnt, het is kwart over vier in de middag....

Ik kijk op van mijn lectuur, want het is de eerste dag dat ik in de zon voor mijn eigen deur kan zitten, en niets is mooier dan het leven aan je voorbij te zien trekken, nou ja, het leven in vol ornaat, glanzend en dansend in de zon en dit is daar alvast een voorproefje van, zoals ook het gezang van de merel in de binnentuin er ieder jaar weer op vooruit loopt.

Een jaar of zestien is ze, het meisje dat met de telefoon aan haar oor voorbij fietst. Het antwoord dat ze inmiddels krijgt, moet instemmend zijn, want haar gezicht, toch al getekend door blijdschap, bloeit helemaal open, ja, ik zou haast zeggen als een bloem, maar dan is ze voorbij en slaat ze verderop de hoek om, nog niet richting het park.

Ja, de lente.

Ik dacht aan mijn eigen dochters, inmiddels van dezelfde leeftijd, en vroeg me af wat die aan het doen waren. Het had geen zin, die gedachte, ik wist het, maar ik zou er toch een lieve som voor over hebben om in een klein onzichtbaar rugzakje met hen mee te mogen reizen. Ik schudde het verlangen van me af.

Ze zien me aankomen.

Er is voor een ouder, dacht ik toch verder, dom dom dom, niets moeilijker dan zijn kind los te laten. Er is, vermoedelijk, ook niets mooier dan het kind losgelaten weg te zien vliegen. Iets heb je dan in je leven toch goed gedaan. Mezelf kennende wist ik dat het sentiment nu op de loer lag, en ik haastte me naar mijn computer binnen om te kijken of er misschien nieuws was waarover ik me kon opwinden.

Het was er.

Minister Bos betreurt het dat de nieuwe ING-topman bij zijn aantreden al een bonus krijgt, een welkomstbonus, een soort tekengeld. Als ik ergens de laatste tijd een hekel aan heb gekregen, is het wel aan het edele werkwoord ‘betreuren’. Altijd maar weer zijn er gezagsdragers die iets betreuren en vervolgens niets doen. Zelfs het boetekleed aantrekken, verdommen ze. Alles gaat gewoon door zoals het altijd al ging.

Tsja.

Ik liet het internet in de steek, omdat de zon buiten maar bezig bleef, ik was vergeten hoe lang ze ook alweer voor mijn deur verwijlde.

Amper zit ik weer, of er passeert een jongen op een bijzonder rammelende fiets. Hij ziet er uit alsof hij net onder de douche vandaan komt. Ook hij is aan het telefoneren. Ik kan me nog herinneren dat de mobiele telefoon niet bestond en je in cafés met een kwartje moest bellen, meestal in een hoek bij de toiletten. Telefoneren was nog een productie. ‘Nee mam, echt niet’, klinkt het luid en liegend uit de jongen. ‘Ik ben nu onderweg naar college!’

Moeder zegt iets terug.

‘Op de fiets natuurlijk! Hoor je dat niet?’

Hoe moet een moeder in Blaricum of Woudenberg of Raalte weten hoe een oude, zeventien keer gestolen en doorverkochte fiets in Amsterdam klinkt? Heel anders dan de herrie die haar zoon haar nu laat horen door de telefoon plagend dicht bij het voorwiel te houden.

‘Ja, ik kijk uit!’, schreeuwt hij als hij de telefoon weer aan het oor heeft. Hij slaat aan het einde van de straat de hoek om en is weg uit mijn leven. Wat blijft hangen is de vraag hoe ik zelf was op die leeftijd en ik kijk recht in de zon.

Meer over