Straatarm is een mens zonder geheim JORIS NOTE IS FALIEKANT TEGEN BEKENTENISSEN EN STOERE ACTIES

PARLEMENTAIRE enquêtes, roddelbladen en interviewers die de zaak bijzaak vinden en de mens hoofdzaak, drijven alle op bekentenissen. Sla een weekblad open of zet een praatprogramma aan, en je krijgt de indruk dat de ene helft van de bevolking verbazend gewillig te biecht gaat bij de andere, die de intimiteiten...

ARJAN PETERS

Wat er heilzaam zou zijn aan deze ontwikkeling, mogen anderen elders opperen. Hier is van belang te stellen dat een klimaat van ongeremde ontboezemingen ongunstig kan zijn voor de kunst. Wanneer mensen alleen nog gespitst zijn op realisme en autobiografische verantwoording, verliezen ze de aandacht voor stijl en compositie, de pijlers onder het ambacht van de kunstenaar.

'Ik was vier of vijf of zes jaar. Ongeveer vijf jaar, laten we zeggen. Ik heb daar vele maanden verbleven, dunkt me. Maar die leeftijd is van geen belang, we willen toch geen realisme.' Zo begint de verteller van 'De brug der zuchten', het openingsverhaal uit de bundel Kindergezang van Joris Note, zijn herinnering aan een nare episode uit zijn jeugd, toen hij werd gedwongen te bivakkeren bij oom Donaat en tante Juliette in een Vlaams rotdorp.

Welnu, een rechter, onderzoekscommissie of interviewer zou nooit genoegen nemen met die hinderlijke vaagheid van 'laten we zeggen' en 'dunkt me'. Om elk misverstand de kop in te drukken, verklaart Note zijn omtrekkende bewegingen met de aanname dat we bij het luisteren naar een verhaal toch niet uit zijn op de platte werkelijkheid. Dit hier is fictie, een doelbewuste vertekening van wat er echt is gebeurd, om op de wijze van de kunst iets aan het licht te brengen.

Het is de behoefte te ontsnappen aan de beperkingen van de bekentenisvreters, die de vier verhalen in dit derde boek van de Vlaamse schrijver bindt. In 'Het lachpaleis' bezoekt een bibliothecaris een letterkundig colloquium, waaraan hij een kleffe smaak overhoudt. Niet dat hij er bezwaar tegen heeft dat men daar naar geest en gemoed van grote schrijvers vorst, maar hij vindt het goedkoop dat de sprekers vooral autobiografieën en brievencollecties uitpluizen: 'Die zijn zo verdacht bloot, misleidend bloot. Van gewicht zijn slechts hun echte werken, die in één spannende beweging hun donkerte verhullen en openbaren. De trucs die ze daarvoor gebruiken, dat zegt toch meer dan beate bekentenissen?'

In het slotverhaal 'Verborgenheden' besluit de overspannen leraar Verdurme de wijde wereld van de journalistiek in te trekken. Hij doet of hij op vakantie is, wanneer hij een kamer neemt boven een mistroostig eetcafé in een Limburgs plattelandsdorp. Een plaatselijke advocaat zou betrokken zijn bij verdachte zaakjes. Daar valt iets te onthullen, meent Verdurme. Aan het eind van het verhaal heeft hij niemendal onthuld. Zijn missie is mislukt. Hoewel, zichzelf heeft hij beter leren kennen, een opbrengst die veel waardevoller is: 'Hij dacht: wie niets te verbergen heeft moet pas goed ongerust zijn, straatarm is die, een mens zonder geheim, of die weet gewoon niet dat hij iets verbergt.' Ongeschikt voor de journalistiek, maar geslaagd als verhaalpersonage.

Hij heeft de advocaat gelaten wie hij was, en besloten eerst ook eens zichzelf te worden, voordat hij zich laat meeslepen door de onthullingsdrift die zijn chef hem tracht aan te praten.

De hoofdpersonen van deze vier verhalen lijken sterk op elkaar. Het zijn leraren en/of echtgenoten wie het van jongs af aan ontbreekt aan durf. Er is sprake van een Bisschoppelijk College dat de man als kind heeft doordrongen van een besef van boete en zonde. Door schaamte en schroom wordt hij ook later weerhouden van kloeke handelingen en duidelijke taal. Dat onvermogen draagt hij met zich mee als een zeurende ziekte. Evenwel, door de aard van zijn aandoening - nee niet te onthullen, maar te onderzoeken door middel van een verhaal, komt hij iedere keer ten langen leste uit bij een kalmerend nulpunt.

De verhalen in Kindergezang ontberen een knaleffect als uitsmijter. Evenmin gaan ze uit als een nachtkaars. Met een paar fraaie, ontnuchterende zinnen laat Note zien dat zijn personages in staat zijn hun leven hierna 'gezonder' te aanvaarden. Je moet twee keer kijken om in te zien dat, bij zo iemand, zo'n end voorzeker happy mag heten.

'De brug der zuchten' is een sterk staaltje, omdat Note de lezers verleidt al spoedig te vergeten dat de verteller nadrukkelijk heeft gewaarschuwd voor de valsheid van zijn herinneringen. Meteen na de zin, dat 'we toch geen realisme willen', steekt hij van wal met: 'Het begon in een zomer, met alle dagen regen', en dan ontrolt zich een vertrouwd verhaal over de benepenheid van een dorpje in de jaren vijftig, en over de klassieke misverstanden tussen een kind en volwassenen. Zijn oom en tante geven hem als sinterklaascadeau een dure hijskraan en vinden hem een ondankbare blaag omdat hij enkel oog heeft voor een doodgewoon kleurboek.

Met een schok krijg je in de gaten hoe geconditioneerd je kennelijk bent door al die andere boeken waarin een jeugd in buitenstedelijk Vlaanderen wordt teruggeroepen. Want ook hier zien we weer een magistraat die de bevolking in zijn greep heeft, en getrouwde oudere mannen die in het geniep meisjes bepotelen en aan elkaar 'doorgeven'.

Alleen: dit is allemaal niet gebeurd. Het zijn verdichtsels, leugens, gestolen belevenissen, zegt de verteller na veertig bladzijden plotseling. Alsnog komt dat als een verrassing. Hij had ons knap bij de neus, door zijn smeuïge verhalen over het onooglijk plaatsje.

Met een paar ferme houwen kapt hij zijn verhaal af, om de waarheid bloot te leggen dat hij vroeger door zijn ouders een tijdje is uitbesteed aan die oom en tante, bij wie het niet zo plezierig was. Na zoveel jaren reist hij terug naar het slome kantoorboekhandeltje dat oom Donaat runt, om de oude eens goed de waarheid te zeggen. Oog in oog met hem, brengt hij echter niets uit, koopt slechts wat enveloppen en kaarten, en gaat weg. Zonder met een gerichte trap oompjes versleten klokkenspel te hebben laten klingelen.

Dat is de oninteressante werkelijkheid. Had hij het daarbij gelaten, dan hadden we een bloedeloos verhaal in handen. Nu kunnen we ons te goed doen aan zijn schone verzinsels, waarmee hij zijn eigen geschiedenis heeft ingekleurd. Dat kleurboek was indertijd inderdaad aan hem besteed! Plus dat hij in één klap van zijn frustratie af is. Laat die ouwe toch, denkt de verteller aan het slot, en tegelijk bedoelt hij: laat ik nou ophouden me weer te ergeren aan die onvrijwillige vakantie bij Donaat en Juliette. Uit met het gezanik. Terug naar het hier en nu.

Het topstuk uit de bundel is 'Het concert', over een echtgenoot die zich nooit met zijn vrouw en de mensheid heeft weten te verbroederen. Zijn engelachtige schoonmoeder overlijdt, en hij weet zijn vrouw niet anders te troosten dan met exact de verkeerde woorden: 'Zijn schoonmoeder had toch bijna de tachtig gehaald, dat was hoe dan ook een tijd van vertrekken, zo was de loop des levens en blablabla: verstandige praat, dom en harteloos, hij wist het, maar kon het niet laten. Zo kroop deze dood besmettelijk en giftig in hun organen. Ze keken onbegrijpend in onbegrijpende ogen, ze lagen met de ruggen naar elkaar in hun al te brede bed. Het was een voltrekking van sinds lang aanwezige, langzaam gewassen afstand.' Die afstand gaat gedicht worden (ook dit einde is tamelijk gelukkig), maar pas nadat hij haar ook letterlijk is kwijtgeraakt.

Werkelijk niets aan Kindergezang is spectaculair, en precies door dat ontbreken van luidruchtigheid lijkt Joris Note welhaast een protestbundel te hebben samengesteld. Geen onthullingen, geen bekentenissen, geen stoere acties! Hij is er faliekant tegen! Dit boekje is zo bescheiden dat het juist weer vraagt, en niet ten onrechte, om bekommernis en koestering.

Arjan Peters

Joris Note: Kindergezang.

De Bezige Bij; 146 pagina's; * 32,50.

ISBN 90 234 3827 2.

Meer over