Stones

In de jaren zestig reden mijn eerste ex-echtgenoot en ik in onze 2 CV naar Blokker, een fris plaatsje in Noord-Holland....

Annemarie Oster

Waarom ik daar stond? Die echtgenoot zou later professor in de sociologie worden en hield zijn vinger op de polsslag van de tijd. Wij waren jong, dus hip en bekeken toneelstukken van Genet, Becket en Arrabal, films van Buñuel, Godard en Fellini. Die Beatles in Nederland? Een must!

Van de brei van geluid die de reikhalzende menigte golfsgewijs overspoelde, bereikte mij geen woord, maar de liedjes waren me goddank enigszins bekend: A Hard Day's Night, I Want to Hold Your Hand.

Iedereen was aan opwinding ten prooi, die echtgenoot voorop. Hij zag zo'n concert in breder perspectief, als een mijlpaal in de geschiedenis, de opmars van de jaren zestig, de jeugd aan de macht. Jeugd? Ik voelde me stokoud: over de 20, verkeerde kleren aan, een zoutpilaar, verloren in de ruimte, gemangeld tussen de hossende massa. Niks saamhorigheid, niks: I Want to Hold Your Hand, peilloze eenzaamheid! Mijn besluit stond vast: dit is mijn eerste en laatste popconcert.

Afgezien van, in het kielzog van een zoon, een oorverdovende kennismaking met Lenny Kravitz in een tent in Nice (in ruil voor, in een kerk, het Requiem van Mozart) heb ik mijn woord gehouden. Tot deze winter in New York. In Madison Square Garden sprongen – ik hoorde weinig tot niets, zo hard was het geluid – weer andere poppetjes in het rond: The Rolling Stones c. s.

Omdat ik het grootste gedeelte van dat concert heb zitten slapen – bij wijze van verweer tegen de muur van geluid en de swingende ruggen voor me die me elk zicht ontnamen – was ik vorige week in Vredenburg. Was dit kleinschalige, persoonlijke, ja af en toe intieme optreden al een belevenis, de laatste show in de Arena – met 50 duizend mensen, maar ze hielden zich gedeisd – sloeg alles. Ik waande me in sprookjesland. Grote indruk maakten de gitaarsoli aan het eind, groots en meeslepend gespeeld door Keith Richards (die souvereine Repelsteel die steeds net niet in de grond verdwijnt).

Maar vooral oor en oog had ik voor Mick Jagger, voor die bevallige gestalte, bezwerende armbewegingen, die nu eens woedende, dan weer poëtische motoriek. Het is alsof dat kittige gedraaf door hemzelf wordt beteugeld, hij steigerend paardje en mennend prinsje tegelijk is. En dan die verbeten proletenkop waar zelden een lachje af kan. Alleen toen hij over de loopplank naar het podium in het midden van de zaal liep, glimlachte hij. Alsof hij licht gaf: Jezus over het water, in dit geval een deinende massa.

Een mens is nooit te oud om van een popconcert te leren houden.

Meer over