Stoer, sterk prachtbeest

Op 1 juli begint het jachtseizoen op het wilde zwijn. Alleen al op de Veluwe zullen er van de vijfduizend dieren, bijna vierduizend worden afgeschoten....

Door Caspar Janssen

Het is niet uitgesloten dat hij al weet wat hem boven het hoofd hangt. In de afgelopen maand mocht het wilde zwijn, of het everzwijn (Sus Scrofa), zich al verheugen in de bijzondere belangstelling van groepjes mannen die hem, de keiler, haar, de zeug en hun, de biggetjes, bestudeerden en daarbij aantekeningen maakten. Tellen, zo heette dat. En misschien weten de wilde zwijnen nog van voorgaande jaren wat er volgt op dat tellen: schieten.

En dus zullen de varkens op de Veluwe vanaf volgende week, als het jachtseizoen begint, al hun vernuft in de strijd werpen om te ontsnappen aan het geweer. Ze zullen zich onzichtbaar maken – dat kunnen ze heel goed. Ze zullen zo weinig mogelijk eten van het lokvoer dat bij hoogzitten zal worden uitgestrooid – vorig jaar werden zwijnen rustig etend aangetroffen achter de jachthutten, buiten het bereik van de jagers. En ze zullen proberen te vluchten. Volgens sommige kenners zijn de wilde zwijnen zelfs zo slim, en bang, dat ze het bos uitvluchten naar de dorpen op de Veluwe, omdat ze weten dat ze daar veilig zijn, als ze tenminste ongedeerd de provinciale wegen weten over te steken. Andere kenners spreken dat overigens tegen.

Sociaal beest
Ondanks die spreekwoordelijke slimheid van het wilde zwijn, zullen zich toch ook dit jaar weer ‘hartverscheurende taferelen’ afspelen op de Veluwe. Want van de 5.000 getelde wilde zwijnen, het werkelijke aantal kan daar ver van af liggen, erkennen zelfs de tellers, zullen aan het einde van het jachtseizoen niet meer dan 1.100 exemplaren nog mogen leven. Volgens de instructies van het faunabeheerplan althans, dat voor alle partijen op de Veluwe als leidraad wordt erkend bij het populatiebeheer van grofwild.

En omdat wilde zwijnen juist in juli vaker het bos uitkomen, op zoek naar voedsel (eikels en beukennootjes vallen pas in september), wordt er vooral in de julimaand volop gejaagd. Bijkomend voordeel voor de jagers: het is eerder en langer licht.

Die hartverscheurende taferelen, daar was Johan Wensink, jachtopziener in het Nationale Park De Hoge Veluwe, in oppervlakte slechts een klein deel van de totale Veluwe, twee jaar geleden getuige van. Vijftig wilde zwijnen mogen er rondlopen in het park, zo was vastgesteld. ‘Maar tot onze verbazing bleken er opeens vierhonderd zwijnen te zijn. We moesten er in dat seizoen 350 afschieten.’

En dat afschieten, dat brengt nogal wat teweeg. Wensink: ‘Het varken is een sociaal beest dat in familieverband leeft. Je schiet dus hele familiestructuren kapot, je jaagt families uit elkaar.’

Het ging zover dat er ook 's nachts gejaagd werd, met maanlicht. ‘Van nature is het wilde zwijn een dagactief dier. Het is al teruggedrongen naar de nacht. Maar nu gingen we ze ook nog eens 's nachts bejagen.’

Haat-liefdeverhouding
Wensink zou willen dat het anders kon, al is het maar omdat het wilde zwijn voor bezoekers van het Nationale Park juist een graag geziene vaste bewoner is. Maar ook omdat Wensink een zwak heeft voor het wilde zwijn. En hij is niet de enige. Het zwijn mag zich verheugen in steeds meer vrienden, of pleitbezorgers, die zich zorgen maken over zijn lot. Zo heeft de Zoogdiervereniging, 2010 uitgeroepen tot het Jaar van het Wilde Zwijn. Niet omdat het slecht gaat met het everzwijn, maar juist omdat het goed gaat en dus ook de overlast en de (landbouw)schade toeneemt. De Zoogdiervereniging vreest dat de ‘haat-liefdeverhouding’ tussen mens en zwijn gaat doorslaan richting haat. En dat zou zonde zijn, vindt Johan Thissen van de vereniging. Want het zwijn, dat is een ‘fascinerend, fantastisch beest’.

Een ‘indrukwekkend en respectabel beest’ zelfs, vindt Geert Groot Bruinderink, ecoloog en hoefdierkenner van het Wageningse instituut Alterra.

‘Sterk, stoer en heel handig’, aldus Johan Thissen. En ‘pienter en schrander’, zo vindt Robert Ketelaar, ecoloog bij Natuurmonumenten. ‘Hij kan snel een situatie inschatten, hij weet ook heel snel waar er gevaar dreigt. Hij ruikt goed, kan heel snel voedselbronnen vinden en kan grote afstanden overbruggen. Een ontzettend dynamisch beest.’

En geen doetje. Kom iets te dicht in de buurt van een zeug met pasgeboren varkentjes en ze komt achter je aan. Drijf een biggetje in de hoek en hij zal, ongeacht de overmacht, proberen in je enkel te bijten.

‘Weerbaar wild’, noemt Gerrit Jan Spek, secretaris van de Vereniging Wildbeheer Veluwe dat. ‘Het komt voor dat een zeug biggen krijgt onder een caravan op een camping. Dan kun je maar beter twee weken niet in de buurt van die caravan komen.’

Geert Groot Bruinderink: ‘Van alle hoefdieren is het zwijn de enige die niet met zich laat sollen. Op een gegeven moment draait hij zich om en komt hij achter jou aan.’

En juist daarom, vindt Johan Thissen, ‘doet een wild zwijn zien me meer dan het zien van een konijn.’

Begraafplaatsen
Zoals gezegd: het zwijn rukt op. Overal in Europa is het varken bezig om zijn vroegere territoria te herbezetten. In Duitsland loopt het aantal tegen een half miljoen, in Berlijn zijn everzwijnen bijna een vertrouwd gezicht geworden. Ze doen zich tegoed aan vuilnis, ze woelen grasperkjes en begraafplaatsen om en moeten soms uit supermarkten worden verwijderd.

Ook in Nederland beperkt het zwijn zich al lang niet meer tot de twee voor hem geselecteerde leefgebieden: de Veluwe en het Nationaal Park De Meinweg bij Roermond. Honderden exemplaren lopen inmiddels rond buiten de aangewezen gebieden, in Limburg, in Brabant, in het Rijk van Nijmegen, in Overijssel. Dat is zogeheten nulstandsgebied, waar de varkens in principe afgeschoten kunnen worden, ware het niet dat ze soms, tot op zekere hoogte, worden gedoogd.

Als oorzaak van de snelle groei van het aantal wilde zwijnen wordt vaak het broeikaseffect genoemd. Feit is dat door minder koude winters en door goede mastjaren met veel eikels en beukennoten, meer zwijnen overleven. Veel voedselaanbod betekent explosieve groei van wilde zwijnen, dat is aangetoond. En een tekort aan voedsel dunt de populatie direct flink uit.

150 Kilo op de motorkap
De toename van het aantal zwijnen is niet onomstreden. Want ja: zet een rotte van twintig zwijnen een nacht lang in een maïsveld en er staan 's ochtends nauwelijks nog planten overeind. Veel mensen in de streek rondom Nijmegen en op de Veluwe troffen in de afgelopen jaren hun zorgvuldig aangelegde tuin 's ochtends omgewoeld aan. En het aantal aanrijdingen met zwijnen op de Veluwe lag in 2007 en 2008 – toen het aantal dieren boven de 8.000 lag – boven de 700. Zelfs de grootste vrienden van het zwijn moeten erkennen dat het geen prettige ervaring is als een borstelig beest van 150 kilo op de motorkap belandt.

En voor je het weet, zo vreest de Zoogdiervereniging, krijgt het zwijn zijn oude status van ongedierte terug. Ongedierte dat bestreden en gegeten moest worden. Zo werd het beest eeuwenlang gezien. Het uiterlijk hielp ook al niet mee: zwart, bonkig, borstelig, met twee rare slagtanden. In 1826 was het wilde zwijn officieel uitgestorven in Nederland. Totdat het wilde zwijn begin vorige eeuw terugkwam; Prins Hendrik zette Duitse wilde zwijnen uit in de Kroondomeinen, voor de jacht.

En nu, nu de zwijnen van alle kanten het land binnenwandelen en almaar beter overleven, is de vraag: hoeveel zwijnen kan ons land verdragen?

Zelfs de vrienden van het wilde zwijn zijn het erover eens dat ‘aantalregulatie’ nodig is . ‘Als je niks doet, zitten ze binnen de kortste keren in het Vondelpark,’ voorspelt Gerrit Jan Spek. ‘Of in je tuin, of in je schuur. En dan komt er een moment dat ze aangeven: dit is nu onze schuur hoor. Ik geloof dat er voor dat scenario toch geen groot draagvlak is.’

Microklimaatjes
Maar binnen de aangewezen leefgebieden voor zwijnen kan het beheer misschien wel anders, vindt Robert Ketelaar van Natuurmonumenten. Ketelaar zou graag een proef willen waarbij in een afgesloten gebied niet of beperkt wordt gejaagd op zwijnen. ‘Ons beleid in onze gebieden is: we jagen niet, tenzij er andere belangen zijn die voorschrijven dat het wel moet. Dat is op de Veluwe het geval. Maar de jacht is ons eerlijk gezegd wel een doorn in het oog.’

Het voorstel voor de proef met ‘biologisch beheer’ komt van Geert Groot Bruinderink. Hij ontdekte dat er in heel Noord-West Europa maar weinig bekend is over het wilde zwijn. ‘We weten niets over de effecten van beheer. Je schiet zwijnen af, maar wat doet dat met de populatie, met de sociale structuren, met het verplaatsingsgedrag? Ik zou graag de kennis van de ecologie van het zwijn vergroten.’

Vermoedens zijn er wel. Zo lijkt het erop dat wilde zwijnen zich juist door de jachtdruk in hoog tempo reproduceren. Johan Thissen van de Zoogdiervereniging weet dat wel zeker: ‘Je beheert nu tegen de klippen op.’

Dat erkent ook Gerrit Jan Spek van de Vereniging Wildbeheer Veluwe: ‘Door het afschieten houd je de populatie in de groeifase. Maar als je stopt met afschieten, zal het aantal zwijnen nog jaren doorgroeien. En dan bestaat het gevaar van massale sterfte in een slecht voedseljaar. Dat willen we toch ook niet.’

‘Maar’, zegt ecoloog Robert Ketelaar, ‘het is waarschijnlijk dat de vrouwtjes dan in de loop der jaren minder gaan reproduceren. Dat zou mooi zijn, dan ontstaat er meer evenwicht.’

Het voorstel van Groot Bruinderink ‘circuleert’ inmiddels bij alle relevante partijen. De provincie, die beslist, is vooralsnog huiverig. Het nieuwe faunabeheerplan is net in werking en dat biedt al meer ruimte voor ‘flexibel beheer’. Op de Noord Veluwe, met meer verkeer en landbouw, worden de standen laag gehouden, op de Zuid Veluwe mag het aantal zwijnen licht groeien.

De vrienden van het zwijn hebben nog wel een belangrijk ecologisch argument om minder zwijnen te schieten in bosgebieden. Het varken wroet en woelt dat het een lieve lust is en dat is goed voor de 'bosverjonging’ en voor het ‘ontkiemen van zaadjes’. Gerrit Jan Spek: ‘Het wilde zwijn is de enige soort met een schoffel aan zijn neus. En omdat hij een alleseter is, zorgt hij voor dynamiek. Door dat wroet en woelgedrag ontstaan er nieuwe microklimaatjes.’

Robert Ketelaar: ‘Het wilde zwijn zorgt voor natuurlijke dynamiek. Overal waar het zwijn is langsgeweest, is de variatie gigantisch. Ze woelen de grond om, graven kuilen en halen zo van alles naar boven. Naast die kuilen, op de hopen zand die ze hebben gemaakt, groeien allerlei nieuwe plantjes.’

Iets dergelijks ziet Gerrit Jan Spek bij de zogeheten ‘schuurbomen’. ‘Daar schuren ze lekker met hun vacht tegenaan. Ze gaan ook met hun kont op stobben zitten, dat schuurt lekker. En rond die plekken is de variatie aan zaden gigantisch. Want die zaden dragen ze mee in hun vacht.’

En alleen al daarom verdient het wilde zwijn ‘meer aandacht en respect’, vindt hoefdierkenner Geert Groot Bruinderink. Want het zwijn mag dan een lastpost zijn, het is wel een intelligente en nuttige lastpost.

Meer over