Stoelendans met blauwe blazers

Van oudsher kiezen liberalen geen uitgesproken politieke dieren voor ministersposten. Het moesten bekwame mensen zijn, die konden besturen of in ieder geval op de winkel pasten....

Zo kon het gebeuren dat uitgerekend de VVD geen minister voor Economische Zaken kon vinden in de kabinetsformatie van 1971. 'Weet jij er niet een?', vroeg VVD-leider Geertsema aan de anti-revolutionair Biesheuvel. Die wist wel iemand: Langman, directeur van een scheepsbouwbedrijf. Daar had Biesheuvel zelf mee samengewerkt als commissaris. Langman stemde op Biesheuvel, maar was VVD-lid.

Het gebrek aan communicatie binnen het huwelijk van Toxopeus leidde ertoe dat hij geen minister van Buitenlandse Zaken werd in het kabinet-Van Agt/Wiegel. Hij dacht dat zijn vrouw het ministerschap niets zou vinden en verkocht 'nee' aan Wiegel. Te laat vernam hij dat zijn vrouw het fantastisch had gevonden. Toen dat duidelijk werd, was er al een ander beëdigd: de diplomaat Van der Klaauw.

Wiegel ging zijn eigen gang bij het kiezen van ministers. Hij toetste het wel bij senaatsfractievoorzitter Van Someren en partijvoorzitter Korthals Altes, maar besliste autonoom.

Heel anders ging het eraan toe bij Nijpels. Zijn personeelskeuze was politieker, maar zijn machtspositie was in 1982 nog niet zo stevig: hij was net aangetreden als politiek leider. Hij overlegde intensiever met de partijvoorzitter Kamminga en senaatsfractievoorzitter Zoutendijk. Korthals Altes daarover: 'Nijpels gaf Zoutendijk en Kamminga een gelijke stem in het kapittel. De meeste stemmen golden. Daaraan heb ik te danken dat ik minister ben geworden. En gebleven. . .'

Nijpels had van tevoren lijstjes opgesteld. Lubbers onderhandelde voor het CDA. 'Tijdens de onderhandelingen over het regeerakkoord hebben we elkaars kandidaten al afgetast', zegt Nijpels. 'Er is maar één keer gevetood door het CDA. Job de Ruiter wilde Ploeg niet als staatssecretaris. Dat was andermaal pech, want Kruisinga wilde hem in 1977 ook al niet.'

Met verbazing keek Bolkestein in de jaren tachtig hoe het bloed van de blauwe blazers droop. In een neergaande electorale trend, van 36 naar 22 zetels, was er een chaotisch personeelsbeleid dat de kiem in zich droeg van zelfvernietiging. Het hele fractiebestuur ging in 1986 op een enkeling na het kabinet in. De liberale bewindslieden raakten verdeeld.

Nu, twaalf jaar later, loopt Bolkestein flierefluitend over het Binnenhof. De onthechting straalt ervan af. Hij voert gesprekjes met toeristen, laat zich afleiden door een vlinderdas. Hij zet grote ogen op als hij vermoedt een wildplassende parlementaire journalist op het Binnenhof te zien, die bij nader inzien in een nis door zijn mobiele telefoon spreekt.

Die onthechting is niet de voorbode van gekrakeel over personeel. Bolkestein kan zich het flierefluiten permitteren omdat hij zijn zaakjes heeft geregeld en over niet al te lange tijd het politiek leiderschap overdraagt.

In 1994 zette Bolkestein de top van de lijst in het eerste paarse kabinet. Hij had zich er gedegen op voorbereid. Vanaf 1977 was hij Kamerlid, en in de loop der tijd sloeg hij in toenemende mate cruciale momenten in zich op. Wie was er crisisbestendig? Wie viel er door de mand? Wie vertrouwde hij nou echt? Hij moest ze door en door kennen, dan pas stelde hij ze voor.

Hij kreeg de vorige keer zijn lijstje moeiteloos door de smoke-filled rooms, waar de onderhandelaars hun kandidaten aan elkaar voorlegden. Er bevindt zich nog een virtuele dark-horse op het lijstje van Bolkestein. Dat is hijzelf. Bolkestein heeft het stokje van Wiegel overgenomen als het gaat om de vraag: doet-ie-het-of-doet-ie-het-niet? Hij schept er een satanisch genoegen in zichzelf boven de markt te houden. 'In principe ga ik niet in het kabinet zitten', zei Bolkestein vorige week. 'Maar als het echt niet anders kan. . .'

Meer over