Stilletjes dromen van Groot-Albanië

De nieuwe vlag is alom aanwezig en het dialect, Gheg, hoor je steeds vaker. Maar in Kosovo is de hoop op vereniging met Albanië nog springlevend....

PRISTINA/Donji PREKAZ Ze wapperen boven op huizen en flatgebouwen. Hangen boven de ingang van winkels en bedrijven. Sieren auto’s in bruidsstoeten. Werkelijk overal in Kosovo hangen vlaggen.

Tot een jaar geleden, toen de Kosovaarse onafhankelijkheid werd uitgeroepen en een nieuwe vlag werd geïntroduceerd, waren al die vlaggen rood en zwart. Albanese vlaggen, die internationale waarnemers deden vrezen dat de Kosovo-Albanezen zich na de onafhankelijkheid bij hun broedervolk in Albanië zouden aansluiten.

Maar een jaar later zijn bijna overal in Kosovo twee vlaggen broederlijk naast elkaar te zien: de traditionele Albanese én de nieuwe Kosovaarse vlag – blauw met een gele landkaart en zes witte sterren. Hebben de Kosovo-Albanezen na een jaar onafhankelijkheid dan toch een eigen identiteit ontwikkeld, los van grote broer Albanië?

Albin Kurti (33), de charismatische leider van oppositiebeweging Vetëvendosje (‘Zelfbeschikkingsrecht’), denkt van niet. ‘De mensen hangen één vlag uit voor de huidige situatie – een Kosovaarse staat – en één vlag voor de situatie waarop ze hopen – samensmelten met Albanië’, zegt Kurti, terwijl hij de houtkachel in zijn rommelige hoofdkwartier bijvult.

Migjen Kelmendi (49), hoofdredacteur van het tijdschrift Jáva en voortrekker in het maatschappelijk debat over een Kosovaarse identiteit, ziet het anders. ‘De mensen willen Albanees blijven, maar ze willen ook iets nieuws worden: lid van de Europese Unie. De Kosovaarse vlag staat symbool voor de weg naar Brussel, naar een beter leven’, zegt Kelmendi in een hippe bar in Pristina, terwijl hij op zijn iPhone tikt.

Zijn we Kosovaars of zijn we Albanees? Dat is een heikele kwestie onder de Albanese meerderheid in Kosovo. Wie ernaar vraagt, krijgt onvermijdelijk inconsistenties en tegenstrijdigheden te horen. Voor elke vraag een tegenvraag, voor elk antwoord een weerlegging.

Neem het dorpje Donji Prekaz, in het midden van Kosovo. Hier woonde Adem Jashari, een strijder van het Kosovaarse guerrillaleger UCK. Tijdens de oorlog vielen Servische soldaten zijn huis aan, waarbij Jashari samen met 57 familieleden werd gedood. Tegenwoordig wordt Jashari geëerd als een lokale Che Guevara. Zijn huis, of wat er nog van overeind staat, is een bedevaartsoord voor Albanezen, uit Kosovo en daarbuiten.

’s Ochtends vroeg staan bij Jashari’s stuk geschoten huis twee mannen in pak: Fatlik Lila (57) en Gazmend Tuzi (51), textielhandelaren uit Zuid-Kosovo. Gevraagd naar het verschil tussen Albanezen uit Albanië en Kosovo, antwoordt Tuzi: ‘Wij Albanezen zijn één volk in twee landen. Er is geen verschil tussen Kosovo en Albanië, en er zal nooit verschil zijn. Het doel is één Albanië voor alle Albanezen.’

‘Maar daar zijn wel twee modellen voor’, onderbreekt Lila zijn collega. ‘Het ene model is een Groot-Albanese natiestaat, en het andere model is dat Kosovo en Albanië allebei toetreden tot de EU. Gezien de macropolitiek is het tweede model realistischer.’

Wie van hen vertolkt het echte gevoel van de Kosovo-Albanezen? De Albanees-nationalistische Tuzi of de politiek correcte Lila? In peilingen zegt slechts 2 tot 10 procent van de Kosovo-Albanezen voorstander te zijn van vereniging met Albanië, maar na een decennium van internationale bemoeienis weten de Kosovaren zeer goed wat ze moeten zeggen om internationale steun te krijgen.

Veel wijst erop dat de politieke correctheid niet oprecht is. Zoals bij een voetbalwedstrijd onlangs: het nieuwe Kosovaarse volkslied werd gespeeld, maar supporters overstemden het door luidkeels het Albanese volkslied te zingen. En 28 november wordt door veel Kosovaren als een feestdag gevierd, hoewel het eigenlijk de datum is van de Albanese onafhankelijkheid.

Veelzeggend is ook een monument voor UCK-strijders vlak bij Donji Prekaz. Er hangen twee vlaggen, maar de Kosovaarse vlag is bovenaan afgescheurd. ‘Nee, die is niet afgescheurd, maar weggewaaid door de wind’, veinst Riza Fejza (52), die naast het monument woont. En heeft de Albanese vlag geen last van de wind? ‘Nee, de Albanese vlag waait nooit weg, want ons bloed hangt eraan.’

De formulering van Murat Jashari (36), de neef van Adem Jashari, geeft de dubbelzinnigheid misschien het beste weer. ‘Een man met één arm zou graag een tweede arm krijgen’, zegt hij. ‘Maar als hij enkel een prothese kan krijgen, is hij daar ook blij mee.’ Kosovo is een verbetering, maar toch niet het echte werk.

Hoofdredacteur Migjen Kelmendi vindt dat die tegenstrijdigheden verklaarbaar zijn. ‘Kosovo is de bakermat van Servisch en Albanees nationalisme. Daarom hebben veel mensen moeite met een supranationaal begrip als ‘Kosovaar’. Het wordt beschouwd als een bedreiging.’

Toch gelooft Kelmendi dat de Kosovaarse identiteit langzaam wordt omarmd. Zo begint het eigen Albanese dialect, het Gheg, door te dringen tot het officiële taalgebruik. ‘In 2001 verscheen mijn tijdschrift Jáva voor het eerst in het Gheg. Toen was dat baanbrekend. Vandaag is de grootste sitcom in Kosovo in het Gheg, en worden bijna alle popsongs in het Gheg gezongen.’

Maar die identiteitsvorming kan nog jaren in beslag nemen, aldus Kelmendi. ‘De vlag en het volkslied vertegenwoordigen nog niets, we moeten er nog collectieve ervaringen in plaatsen. Het project Kosovo heeft tijd nodig om zich tot iets eigens te maken.’

Albin Kurti daarentegen vindt de hele identiteitskwestie irrelevant. ‘De internationale instanties – de VN, EU, enzovoorts – hebben de identiteitskwestie aan ons opgedrongen. Zo stellen we ons geen vragen bij het gebrek aan economische vooruitgang, soevereiniteit en burgerrechten in ons land, maar houden we ons alleen bezig met zelfanalyse.’

Meer over