Stiekem doen we liever goed

Toont de crisis het moreel tekort van de menselijke soort? Volgens de Amerikaanse psycholoog Dale Miller zijn we altruïstischer dan we laten merken....

‘Bewijst de kredietcrisis dat de calvinisten toch gelijk hadden dat de mens tot het kwade geneigd is?’, vroeg presentator Wilfred Kemp onlangs in het RKK tv-programma Soeterbeeck. Topeconoom Lans Bovenberg antwoordde dat de mens in ieder geval tot het kwade in staat is. Volgens hem is de crisis veroorzaakt door een combinatie van hebzucht en slechte manieren. Later sprak Bovenberg zelfs van een vorm van diefstal.

Nu is het duidelijk dat er iets akelig fout is gelopen, maar de vraag is of dit daadwerkelijk te maken heeft met de ingebakken slechtheid van de mens. De kern van wat is mis gegaan, is dat Amerikaanse bankiers massaal hypotheken hebben verleend aan mensen die ze niet terug kunnen betalen. Dat is in de eerste plaats kortzichtig. Het is echter onwaarschijnlijk dat de bankiers ook maar in de verste verte hebben zien aankomen welke gevolgen hun gedrag zou hebben. Die zijn onverwacht en wijdverbreid. De negatieve gevolgen staan dagelijks op de voorpagina, maar had u eraan gedacht dat een vakantie in IJsland ineens betaalbaar lijkt worden?

Zelfs minister Koenders voor Ontwikkelingssamenwerking zag zijn kans schoon door de kredietcrisis en gebruikte de heersende onvrede om zijn budget voor ontwikkelingssamenwerking te verdedigen. Hij hoefde vorige week bij Pauw & Witteman geen lastige vragen te beantwoorden over de efficiëntie van de geboden ontwikkelingshulp, maar kon volstaan met een vergelijking met Wall Street. ‘Laten we het een beetje in verhouding zetten.’ De bonussen die op Wall Street in anderhalf jaar aan de superrijken zijn uitgedeeld, wegen op tegen het jaarbudget voor ontwikkelingssamenwerking in Nederland, en ook tegen de wereldwijde hulp aan Afrika.

Deze feiten vertegenwoordigen een werkelijkheid, waarbij de hebzucht van Ebenezer Scrooge uit Dickens’ Christmas Carol verbleekt. Het bezorgt je de neiging de mens te nomineren als de belangrijkste vergissing van de schepper. Toch beweert de Amerikaanse onderzoeker Dale Miller dat mensen in het verborgene altruïstischer zijn dan ze zelf willen toegeven. We hebben elkaar wijsgemaakt dat ieder op zijn eigenbelang uit moet zijn, en daardoor onderdrukken we soms onze neiging om voor anderen op te komen.

Miller staaft zijn visie met een aantal opmerkelijke experimenten. Hij liet studenten een persbericht lezen waarin bekend werd gemaakt dat het ministerie voor Volksgezondheid de subsidie had gestaakt voor onderzoek naar een typische vrouwenkwaal. Mannen en vrouwen vonden dat even schandalig, maar alleen vrouwen bleken in groten getale bereid een handtekening op een protestlijst te zetten. Voor mannen leek het te ver van hun bed om zich in te spannen.

Het man-vrouw verschil verdween echter als de proefpersonen in de gelegenheid werden gesteld anoniem een bijdrage te leveren. Veel mannen die geen handtekening hadden willen zetten, bleken ineens wel een uitgebreide vragenlijst in te vullen om de goede zaak een zetje te geven, als maar niemand dat direct zou merken. Als je openlijk voor anderen opkomt, loop je het risico uitgemaakt te worden voor een watje, omdat je niet op eigen kracht de American Dream van een zelfstandig en succesvol individu najaagt.

Iets vergelijkbaars gebeurde toen Miller op de campus van de universiteit geld liet inzamelen voor de plaatselijke sportvereniging. De ene keer ging het daarbij om een club voor gehandicapte en emotioneel beschadigde kinderen voor wie de sport een laatste strohalm bood. De andere keer ging het om een gewone sportvereniging die wat reserve uitrusting kon gebruiken. Zoals verwacht is de ernst van de hulpvraag voor studenten een belangrijke reden om wel of geen geld te geven.

Tekenend is echter dat de studenten veel meer geld gaven toen de inzamelaars kaarsen gingen verkopen voor het goede doel. Bij een doel met een lage hulpbehoefte, kochten de studenten geen kaarsen, maar bij een doel dat de studenten nauw aan het hart lag, besteedden ze per saldo drie keer zoveel geld aan kaarsen dan zij als zuivere gift gegeven zouden hebben. Ze grepen de mogelijkheid om kaarsen te kopen aan, omdat zij iets goeds wilden doen zonder het risico te lopen als zacht eitje gekenschetst te worden.

Het is volgens Miller de norm dat iedereen aan zijn eigenbelang moet denken, die ervoor zorgt dat de studenten soms hun neiging onderdrukken de nood van anderen te lenigen.

Maar hoe zijn we aan de norm gekomen dat we het eigenbelang moeten laten prevaleren boven het groepsbelang? Miller denkt dat het mensbeeld in de economie een belangrijke oorzaak is. Hij liet studenten voorafgaand aan een cursus economie de vraag beantwoorden wat zij zouden doen als zij een portemonnee zouden vinden met enkele pasjes en een briefje van vijftig dollar. Velen zeiden dat zij de buidel zouden terugbezorgen bij de rechtmatige eigenaar. Na afloop van de cursus gedroegen de studenten zich nog hetzelfde, maar hun motivatie was veranderd. Zij zeiden dat zij het geld zouden teruggeven, omdat zij op eenzelfde behandeling hopen als zij zelf hun geld ooit eens zouden verliezen. Miller: ‘Het valt niet te ontkennen dat het eigenbelang een belangrijke drijfveer is voor mensen. Maar tegelijkertijd zijn we daar te somber over geworden.’

Onderzoeker Barbara Briers deed in Leuven onderzoek naar de vrijgevigheid van mensen en is nu assistent professor consumentengedrag bij de HEC School of management in Parijs. Zij stelt dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat het voor mensen prettig is aan anderen te denken. In recent hersenonderzoek werd aangetoond dat de pleziercentra in het brein actiever worden als we dingen weggeven. Het goede doen geeft ons een warm gevoel van binnen en vergroot het idee dat we in wezen deugen.

Briers vindt het onderzoek van Miller boeiend, maar vraagt zich af, of het idee dat je als mens vooral aan je eigenbelang moet denken even dominant is in Europa als in Amerika. ‘Onlangs had ik het op mijn werk over de sociale voorzieningen in België en ik zei dat ik die belangrijk vond. Mijn Amerikaanse collega vroeg toen waarom ik daar belang aan hechtte. De kans dat ik zelf dakloos zou raken was immers klein? Bij Amerikanen is het redeneren vanuit het eigenbelang dominanter dan in het meer socialistische Europa.’

Miller nuanceert dus de mate waarin de Amerikanen geneigd zijn het eigenbelang na te streven. Ze zijn stiekem altruïstischer dan zij laten merken. Briers meent echter dat deze nuancering het totaalbeeld niet wezenlijk verandert. Uiteindelijk gelooft zij dat de mens van nature egoïstisch is. In haar proefschrift staat ze daarom stil bij de vraag hoe we marketingtechnieken kunnen gebruiken om de Scrooge in ons te bestrijden en mensen meer kunnen laten handelen in het algemeen belang.

Het onderzoek van Miller vindt ze vooral belangrijk voor Amerika, omdat het tegenwicht biedt aan een maatschappij die het principe van de survival of the fittest als uitgangspunt heeft genomen en daar soms zelf de schade van ondervindt. Doordat de strijd om het eigenbelang tot norm is verheven, is het voor van nature lieve mensen soms moeilijk hun goede inborst te volgen.

Voor de verdere relativering van het eigenbelang kunnen we terugvallen op de het ‘woordenboek van de duivel’ van Amerikaans satiricus en journalist Ambrose Bierce, van een eeuw geleden. Hij beschrijft een egoïst als een ‘ordinair persoon, die meer belangstelling heeft voor zichzelf dan voor mij’.

Volgens dezelfde redenering is een roofbankier een bankier die meer aandacht heeft voor zijn eigen banksaldo dan het onze. Inderdaad verwerpelijk, maar niet verdorven. En misschien loopt het minder vaak mis als we niet alleen het toezicht op de bankiers vergroten, maar samen ook de norm versterken dat iedereen geacht wordt aan het belang van anderen te denken.

Meer over