Steunpilaar van Apartheid wordt grootmacht in tabak

De van oorsprong Nederlandse familie Rupert bemachtigde halverwege deze eeuw een groot deel van de Zuid-Afrikaanse tabaksmarkt. Met de fusie tussen BAT en Rothmans krijgt ze 35 procent in de nieuwe tabakgrootmacht....

Van onze verslaggever

Gerard Reijn

AMSTERDAM

Toen Anton Rupert in 1941 zijn tabakswinkeltje Voorslag Tabac begon in Johannesburg, was British American Tobacco heer en meester in de Zuid-Afrikaanse tabakswereld. Het concern, toen het grootste tabaksconcern ter wereld, had er een marktaandeel van 80 procent. Maar dat weerhield Rupert, nazaat van een Nederlandse familie die in de zeventiende eeuw naar Zuid-Afrika trok, er niet van om in 1948 zijn eigen sigarettenfabriekje te beginnen.

Bij de keuze van zijn merknaam koos hij zonder compromissen voor zijn Nederlandse roots: Rembrandt van Rijn; enkele jaren later kwam hij met een tweede voltreffer: Peter Stuyvesant. En zijn succes was overweldigend. In 1951 had hij al 10 procent van de Zuid-Afrikaanse markt in handen. Gisteren, toen de fusie van British American Tobacco (BAT) met Rothmans werd aangekondigd, bleek de underdog Rupert definitief 'upperdog' te zijn geworden: de Ruperts krijgen 35 procent van BAT in handen.

En dat is nog niet alles. Dankzij de fusie hoeven zij zich met de moeilijke sigarettenmarkt nauwelijks nog bezig te houden. Zij kunnen zich concentreren op hun andere kernactiviteit: luxe-merken .

De Ruperts zijn geslaagd in het leven, maar de vraag is waar hun succes vandaan kwam. Hardnekkig is het verhaal dat Anton Rupert met zijn fabriekje Rembrandt de volle steun kreeg van de Broederbond. Deze organisatie, geheim sinds 1928 en alleen toegankelijk voor blanke, mannelijke calvinisten van Nederlandse komaf, was een van de steunpilaren van de Apartheid.

Rupert zelf heeft altijd gezegd dat zijn opkomst niets te maken had met de Broederbond en werd gefinancierd door verzekeraar Sanlan en de Volkskas Bank. Maar het toeval wil dat beide bedrijven stevig verbonden waren met de Broederbond.

Antons verhouding tot de Apartheid is altijd wat troebel gebleven. Hij was voor de Apartheid, maar gold daarin als gematigd; zo was hij voorstander van gelijk loon voor blanken en zwarten. Eénmaal kwam hij warempel in aanvaring met het Apartheidsregime, dat net als hij in 1948 was begonnen. Dat was toen Rupert zaken wilde opzetten in de thuislanden. De wetten van de Apartheid eisten echter dat die voor de zwarten zouden blijven.

Rupert kon weliswaar uitstekend overweg met de Apartheid, hij had al snel door dat door dat systeem de contacten met de buitenwereld moeizaam werden. Zijn sigarettenfabriek Rembrandt bouwde hij binnen tien jaar uit tot een investeringsmaatschappij die geld stak in sectoren als banken, mijnbouw, voedingsmiddelenindustrie en bosbouw.

De internationalisatie werd snel ter hand genomen en Rupert bewees dat hij bondgenootschappen kon sluiten. Al begin jaren vijftig vloog hij naar Londen en sloot vriendschap met Sidney Rothman, die met Pall Mall een prachtig merk bezat. Hij kocht zich al snel in bij Rothmans.

In 1972 sloeg hij een grote slag: hij nam een belang van 60 procent in Rothmans. Daarmee verzeilde hij, bijna toevallig, ook in de wereld van de peperdure luxe-artikelen.

Rupert zorgde ervoor dat zijn concern volkomen ondoorzichtig bleef. Daardoor kon hij zaken doen met landen in heel Afrika. Hij kon dure consumentenmerken als Cartier (horloges, juwelen), Chloe (mode), Montblanc (pennen), Piaget (horloges) en Karl Lagerfeld (mode) aan de man blijven brengen terwijl de wereld probeerde Zuid-Afrika te boycotten. Maar hij bleef de Apartheid steunen. Zo was hij één van de financiers van de Zuid-Afrika Stichting, die in 1967 een grote advertentie plaatste in de Sunday Times. Daarin werd de Zuid-Afrikaanse regering gevraagd op te houden met zich alsmaar te verontschuldigen voor de Apartheid, en eindelijk eens te wijzen op de kansen die de Apartheid aan buitenlandse investeerders bood.

In 1988 zette Antons zoon Johann een tweede grote stap in de ontwikkeling van het concern. Hij richtte de Zwitserse vennootschap Richemont op en bracht daarin alle niet-Zuid-Afrikaanse belangen van de Ruperts onder. Zo werden die veilig gesteld voor de nadelen van de Apartheid.

De laatste jaren timmeren de Ruperts vooral aan de weg bij het opzetten van belangen in betaal-tv. Zij waren het die NetHold opzetten, dat belangen verwierf in betaal-tv. Maar in 1996 gaf Johann Rupert het op om die activiteit zelfstandig voort te zetten: NetHold werd verkocht aan CanalPlus, waarvan de Ruperts nu grootaandeelhouder zijn.

Uit de cijfers die Richemont midden vorig jaar publiceerde blijkt dat de Ruperts nog altijd goede zaken doen. De winst over 1997 bedroeg 640 miljoen dollar, een stijging van 27 procent. De Ruperts zijn dan ook bijna de rijkste familie van Zuid-Afrika. Alleen de diamantenfamilie Oppenheimer is rijker.

Meer over