Steunen Moslims zal oorlog slechts verlengen

De roep om harder op te treden tegen de Bosnische Serviërs klinkt luider dan ooit. René Grémaux en Abe de Vries plaatsen niettemin vraagtekens bij de argumenten om partij te kiezen voor de Moslims....

NU MET de verwikkelingen rond de oost-Bosnische enclaves Srebrenica, Zepa en Gorazde een diplomatieke oplossing voor het Bosnische conflict verder weg lijkt dan ooit, klinkt steeds vaker de eis om in Bosnië 'harder' op te treden.

Hier en daar wil men zelfs dat de VN hun neutraliteit opgeven en dat het Westen de Bosnische Serviërs de oorlog verklaart. Op dit moment vindt volop overleg plaats over de inzet van de snelle-reactiemacht van Frankrijk, Engeland en Nederland. Een ander scenario voorziet juist in terugtrekking van de VN-troepen, in combinatie met de opheffing van het wapenembargo tegen de Bosnische regering.

De dikwijls emotioneel getinte oproepen voor een hardere aanpak stoelen niet zelden op selectieve waarneming en dito verontwaardiging. Hierdoor wordt de compromisbereidheid van de betrokken partijen nog kleiner dan ze al was. Op bijna alle argumenten om partij te kiezen voor de Moslims, valt wel het een en ander af te dingen.

'Iedereen weet wie de aanvaller is en wie het slachtoffer', is de eerste veel gehoorde stelling. Het uitroepen van de onafhankelijkheid van Bosnië-Herzegowina mag dan Moslims en Kroaten hebben behaagd, het grootste deel van de Servische bevolking zag deze daad als een gedwongen afscheiding van Joegoslavië. Het voelde zich gerechtigd daartegen in verzet te komen.

Provocaties waren ook in de beginperiode niet uitsluitend het voorrecht van de Serviërs. Neem Bijeljina, volgens vele verhalen de eerste Bosnische stad die werd geteisterd door Servische terreur. Het in Canada gevestigde Independent Committee on War Crimes, dat de gang van zaken ter plekke onderzocht, concludeerde dat de verantwoordelijke militieleider Arkan op verzoek van de lokale bevolking (inclusief Moslim-tegenstanders van de SDA) naar Bijeljina was gekomen, toen Izetbegovic-getrouwe strijders op het punt stonden de strategisch gelegen stad af te sluiten (Security Dialogue, jaargang 25, no. 3, 1993). Bovendien zijn Serviërs uit Bijeljina er heilig van overtuigd dat zonder het optreden van Arkan geen van hen het er levend zou hebben afgebracht.

De tweede pijler onder de pleidooien voor een harde aanpak is de veronderstelling dat uitsluitend de Bosnische Serviërs zich systematisch schuldig maken aan 'etnische zuiveringen'. Hoe kan men zo makkelijk voorbijgaan aan het feit dat alle partijen als het hen zo uitkomt leden van ongewenste minderheden mishandelen en verdrijven?

Volgens officiële gegevens van mei 1994 verblijven er bijna 400.000 Bosnische Serviërs (ruim 25 procent van de Bosnisch Servische bevolking) in Servië en Montenegro. Eenzelfde aantal Bosnische Serviërs heeft zijn toevlucht gezocht in de eenzijdig uitgeroepen Republika Srpska.

Ondanks dat herhaaldelijk melding is gemaakt van de vrijwel voltooide 'etnische zuivering' van de regio Banja Luka en Prijedor, blijken zich daar toch nog ettelijke tienduizenden Kroaten en Moslims te bevonden. Terecht trekt men zich het lot van deze mensen aan. Daarentegen vond de praktisch volledige verdrijving van de Servische bevolking uit de Neretva-vallei in Herzegowina plaats zonder enig protest uit te lokken. Mostar telde in 1991 nog minstens 24.000 Servische burgers; thans zijn er nog zo'n 200.

Omarska en Manjaca zijn de bekendste voorbeelden van de mensonterende gevangenkampen van de Serviërs. Echter, niet alleen de Serviërs houden mensen gevangen. In 1993 bezocht het Internationale Comité van het Rode Kruis in totaal 200 'detentiecentra' verspreid over heel Bosnië-Herzegowina, waar in totaal 16.900 mensen gevangen werden gehouden.

Het VN-rapport dat deze gegevens vermeldt, geeft de volgende verdeling: van de gevangenen is 40 procent in handen van de Bosnische Kroaten; 25 procent wordt vastgehouden door de Bosnische regering en 13 procent is in handen van de Bosnische Serviërs. De overige gevangenen werden vastgehouden door de 'afvallige' Moslimleider Fikret Abdic in Bihac. (VN-rapporteur Mazowiecki, 21 februari 1994)

Het aantal dodelijke slachtoffers in Bosnië tot nu toe wordt doorgaans geschat op een kwart miljoen. George Kenney, Balkanspecialist en voormalig medewerker van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, trok dit getal enige tijd geleden in twijfel. Kenney leverde aanvankelijk kritiek op de regering-Bush, die te weinig zou doen voor de Bosnische Moslims. Na zijn vrijwillige ontslag is hij echter van gedachten veranderd en uiterst sceptisch geworden over de politiek van Izetbegovic.

Kenney's educated guess is dat er in de oorlog 'hoogstens' 60.000 Bosniërs zijn omgekomen, dat wil zeggen Moslims, Kroaten en Serviërs tezamen (New York Times Magazine, 23 april 1995).

Hoewel dit natuurlijk weinig afbreuk doet aan het immense leed dat de bevolking treft, geeft het wel aan dat de verschillende partijen ieder voor zich hun eigen slachtofferrol koesteren en politieke munt proberen te slaan uit het opvoeren van de aantallen.

In kringen van uit Sarajevo uitgeweken Serviërs gaat men er bijvoorbeeld van uit dat in de talrijke gevangenissen in het Moslimdeel van de Bosnische hoofdstad - grote en kleine, officiële instellingen en privé-kelders, werk- en opslagplaatsen - zo'n 12 tot 15.000 Servische burgers op vaak gruwelijke wijze zijn omgebracht. Een delegatie van een pas opgerichte vereniging van ex-gevangenen zal het Haagse Tribunaal binnenkort verzoeken de verzamelde getuigenverklaringen te mogen overhandigen.

Hèt voorbeeld voor de media van Servische terreur is natuurlijk Sarajevo. De Bosnische Serviërs zouden Sarajevo omsingeld houden om de Moslim-inwoners te terroriseren, maar de al drie jaar bestaande feitelijke verdeling van de hoofdstad in een Moslim-Kroatisch en een Servisch deel wordt doodgezwegen. Het lijden van de bevolking in het Servische deel van Sarajevo doet nauwelijks onder voor het deel waarover de 'Bosnische regering' de scepter zwaait.

Een groot deel van de Servische bevolking heeft het door de Moslims en Kroaten beheerste deel tijdig weten te verlaten. De achterblijvers kunnen geen kant op. Anders dan de Moslims in het Servische deel van de stad die wèl weg mogen als zij dat wensen, dienen de Serviërs in het andere deel van de stad als paradepaardje van de Bosnische tolerantie.

Het bekende Sarajevo wordt behalve door Serviërs in feite ook omsingeld door Moslim-troepen, opdat de bevolking niet massaal de wijk neemt naar veiliger oorden.

Het door de media breed uitgemeten lijden van onschuldige burgers is, cynisch genoeg, van onschatbare waarde voor het bewind van Izetbegovic, dat zich daarmee verzekert van veel buitenlandse sympathie. Ook schrikt deze regering er niet voor terug het leed van de 'eigen' bevolking moedwillig te vergroten indien dat politiek opportuun is met het oog op het verkrijgen van militaire steun uit het buitenland. Hardnekkige berichten als zouden Moslim-autoriteiten 'hun' burgers opofferen om de westerse publieke opinie te beïnvloeden, zijn zeker geen perfide Servische leugens, zoals Martin van den Heuvel schijnt te denken (Forum, 18 mei 1995).

Veel slachtoffers vielen vanwege het hier onbekend gebleven decreet van Izetbegovic aangaande de 'arbeidsplicht'. Alle werknemers van Sarajevo zijn sinds april/mei 1992 verplicht iedere dag naar hun werk te gaan, ook al worden ze onderweg blootgesteld aan sluipschutters en ook al dient hun aanwezigheid op het werk vaak geen enkel produktief doel.

Ten slotte komen we bij het veel gehoorde argument dat de Moslim-regering in Bosnië een multiculturele samenleving voorstaat, terwijl de Servische leiding een griezelige en fascistische hang naar 'etnische zuiverheid' zou vertonen.

Dat veel Bosnische Serviërs er praktisch alles voor over hebben om niet een minderheid te worden in een Moslim-kopie van de oude Joegoslavische veelvolkerenstaat, zou voldoende reden moeten zijn om aan de haalbaarheid van een multiculturele Bosnische eenheidsstaat te twijfelen. Maar waarom ook niet naar Izetbegovic zelf geluisterd? Het volgende citaat is uit een toespraak, eind maart vorig jaar, voor eigen publiek in Sarajevo:

'Wij (de Moslims) hebben geen ander volk nodig om ons te helpen. We zijn ons zelf genoeg! In een van onze bekende kranten lees ik, dat onze soldaten voor een multinationale samenleving sterven, dat zij hun leven offeren zodat wij allemaal in vrede naast elkaar kunnen wonen. Een multinationale samenleving is heel mooi, maar - dat zeg ik openlijk - het is een leugen! We moeten ons volk niet voorliegen of misleiden. De vechtende soldaat sterft niet voor een multinationale samenleving (. . .). Voor het overige, vraag hem zelf maar of hij in de loopgraven ligt om samen met anderen te kunnen samenleven. Dat is gewoonweg niet zo en op deze waarheid moet ons leven worden opgebouwd.' (Citaat uit: Klaus Bitterman red., Serbien muss sterbien. Wahrheit und Lüge im jugoslawischen Bürgerkrieg, Berlijn, 1994).

De vorming van een ongedeelde staat binnen de grenzen van de oude Joegoslavische deelrepubliek Bosnië en Herzegowina is het eigenlijke oogmerk van de Moslims. Het is dan ook zeer onwaarschijnlijk dat wanneer de krijgskansen zich eenmaal duidelijk ten gunste van de Moslims keren, zij genoegen zullen nemen met de verdeling waarin het plan van de Contactgroep voorziet.

AAN het succes van de huidige containment-politiek komt dan een eind waardoor het overslaan van de krijgshandelingen naar de aangrenzende regio Sandzak (waar ook veel 'Bosnische' Moslims wonen), en vandaar verder door naar Kosovo en Macedonië, tot de reële mogelijkheden gaat behoren.

De enige uitweg uit het Bosnische dilemma lijkt dan te liggen in de acceptatie van de status-quo. Het stoppen van de gevechten moet het hoofddoel van de internationale inspanning zijn, niet het straffen van de éne en het bevoordelen van de andere partij ten koste van nog meer menselijk leed.

René Grémaux is historisch-antropoloog en Abe de Vries studeert geschiedenis; tot voor kort waren zij bij het Centrum voor Vredesoperaties van de Koninklijke Landmacht betrokken bij de opleiding van Unprofor-personeel.

Meer over