Steeds werd de historische glorie gesloopt

Oss is een werkstad, het Manchester van Nederland. Er gebeurt niets, er broeit van alles. Sietse van der Hoek verhaalt over Oss in dertien wekelijkse afleveringen....

ONDER DE grond is Oss oud, en verrukkelijk voor archeologen tot ver buiten de grenzen. Bovengronds is Oss een stad zonder herinnering, in de woorden van schrijver en Oss-geborene Serge van Duijnhoven 'een stad die zichzelf verslindt als een hond haar miskraam'.

In de strijd tussen Brabant en Gelre werd Oss tussen 1387 en 1542 vier keer platgebrand of gedeeltelijk verwoest; in de Tachtigjarige Oorlog nog een keer. 1599: Pestepidemie. 1751: Grote stadsbrand. Eind vorige en begin deze eeuw overweldigde de industrie het kleine stadje. Direct naast het centrum verrezen margarine-, tapijt-, vlees-, blik-, farmaceutische- en lampenfabrieken, er omheen onplezierige arbeiderswijken.

En alsof de stad in wanhoop steeds een (nieuwe) identiteit zocht, werd iedere keer weer geschiedenis gesloopt. In 1921 het stadhuis en de boterwaag uit 1768, in 1925 de Graafse Poort uit 1407(!), in 1966 de Nederlandse Hervormde Kerk uit 1817, in 1983 het spoorwegstation uit 1881, eind vorig jaar tot de laatste steen het complex van Zwanenberg.

Aan industrieel erfgoed resteert nog tussen het station en het stadshart de lege Bergoss-tapijtfabriek met het gekartelde dak. Daar willen ze woningen en kantoren. Met geld uit hetzelfde dorps- en stadsvernieuwingsfonds wil de gemeente de omgeving van de neogotische Grote Kerk, het oudste gebouw in Oss, uit 1859, opknappen. Dat wil zeggen: panden slopen en gevels renoveren teneinde 'de achterbuurt-achtige sfeer om te buigen naar een aantrekkelijk centrumgebied'.

Kaalslagjargon van planologen en bestuurders die zich geen raad weten met het verleden. En dus ziet Oss er ontmoedigend nondescript uit. Een opeenhoping van winkels zoals een jongetje van legosteentjes een stadshart groepeert met hier en daar enige horeca. Openbare nutsblokken aan weerszijden van de Raadhuislaan. Bedrijventerreinen langs nagenoeg de hele oostkant. Een Goudkust van bungalows-in-het-groen. En verder woonwijken die de vier windstreken uitdijen, via een ruit van doorgaande wegen met elkaar verbonden en van elkaar gescheiden.

De historische glorie van Oss wordt elders gekoesterd.

1. Op een tentoonstelling in het Joods Historisch Museum in Amsterdam met, zo e-mailt Marlou Schrover, 'veel aandacht voor het opvallend succesvolle ondernemerschap van Osse joden'. Zij weet dan ook precies hoe het zit en corrigeert enkele fouten in de achtste aflevering van Groeten uit Oss, zijnde: Simon van den Bergh, oprichter van de margarinefabriek, en Daniel van den Bergh, oprichter van de latere Bergoss-fabriek, waren wel familie van elkaar. Het waren broers. Hartog Hartog, oprichter van Hartog's vleeswarenfabrieken, en Arnold van Zwanenberg, mede-oprichter van Zwanenberg's vleeswarenfabrieken, waren halfbroers (zelfde moeder, andere vader). Arnold en Nathan van Zwanenberg waren neven, geen broers.

2. In Eindhoven, waar de stichting Prehistorisch Huis een boerderij uit de midden-ijzertijd bouwde die gereconstrueerd is naar de sporen in de Osse bodem.

3. In het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden, waar de afdeling Archeologie van Nederland zich afficheert met een schat uit Oss: een opgerold, met goud beslagen zwaard uit de vroege ijzertijd. Osse vondsten nemen een prominente plaats in op de tweede verdieping. Ze zijn van nationaal belang en daarom had het Rijksmuseum in Leiden er recht op. Heel lang gold Oss als het wetenschappelijke begin van de Nederlandse voorgeschiedenis (afgezien van de stenen in Drenthe).

4. Nergens heerst zoveel enthousiasme over Oss als in het Instituut voor Prehistorie van de Rijksuniversiteit Leiden. Drie proefschriften zijn in de maak over de archeologische bevindingen in Oss. Harry Fokkens, sinds 1986 projectleider van de opgravingen in Oss, en Marie France van Oorsouw, geboren en gegraven in Oss en nu werkzaam voor de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, voeren me langs de veldtekeningen en foto's op de gang van het instituut, over de schervenzaal en door het computerbestand waarin Oss van 2500 vóór tot 250 na Christus tot in detail is vastgelegd.

Dat Oss al zo vroeg en zo langdurig door mensen uitverkoren werd, was te danken aan zijn natuurlijke gesteldheid: net buiten de Peel-moerassen op de grens van beboste zandgrond en de klei van de rivier. De prehistorische kolonisten vonden er het beste van twee werelden: akkeren op het zand, vee telen langs de Maas.

Het bijzondere en Europees voorbeeldige van het huidige archeologisch onderzoek in de Osse wijk Ussen is dat het plaatsvindt op een aaneengesloten terrein, het grootste in Nederland, en dat op die ene plek de ontwikkeling gedurende een periode van 2000 jaar opgravenderwijs in beeld te brengen is.

Leiden peutert al tweeëntwintig jaar in Osse grond, bijgestaan door een groepje alerte lokale archeologen. In 1932 vonden arbeiders bij de aanleg van het woonwagenkamp een bronzen emmer met hèt zwaard. Nu de laatste Krausen het prehistorische terrein deze zomer verlaten en voordat de gemeente de Vorstengrafdonk tot een nieuw industrieterrein maakt, krijgen de archeologen alsnog de kans de grafheuvels af te graven.

Afgraven! Alsof de duvel speelt met Oss en niks achterlaat.

Sietse van der Hoek

Meer over